Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Meesterlijk geschreven is ook zijn Nationale Kunst (1887), waarin hij met den goudglans van zijn schitterenden stijl de groote schilders onzer „gulden eeuw" als 't ware in Rembrandtieke belichting zet. Daar heerschen nog volop de oratorische gloed en weelde, die over 't algemeen zijn proza kenmerken.

Naderhand werd dit soberder en pittiger. Niet meer stroomend lava, doch kantig en fonkelend als geslepen kristal.

REDENAAR.

Onder de verschillende Muzen, die by Schaepman's wieg haar gaven hebben uitgedeeld, is Polyhymnia, de Muze deiwelsprekendheid, zeker het vrijgevigst van allen geweest. Want hij „was boven alles redenaar".1 Als zoodanig behaalde hij dan ook zijn meeste triumfen, staat hij in ons land, doorgaans zoo schaars met redenaars bedeeld, onovertroffen, alleen.

Zijn eerste succes op de tribune dateert van de bekende Parkmeeting te Amsterdam in 1871. Daar voerden de beste katholieke redenaars het woord: Des Amorie van der Hoeven, Van Nispen tot Sevenaer, Haffmans en anderen ; maar de 27-jarige Schaepman won stormenderhand den zegepalm. Op den kansel der kathedraal te Utrecht had hij toen reeds de feestpreek gehouden bij het zilveren pausschap van Pius IX; niet lang daarna publiceerde hij zijn plechtige rede over „de christelijke liefde"; later is hij nog bij menige gelegenheid van jubel en rouw als kanselredenaar opgetreden. Maar in zyn volle, geweldige kracht was hij dan eigenlijk toch niet. De gewijde plaats scheen hem eenigszins te belemmeren in zijn reuzenzwaai.

Bij voorkeur zocht hij daarom het profane spreekgestoelte.

Waarschijnlijk heeft in ons land nooit iemand zoo dikwijls, op zooveel verschillende plaatsen en over zoo uiteenloopende onderwerpen in 't openbaar gesproken als Schaepman. Onverschillig waar en wanneer hij optrad, hij kon altoos rekenen op een eivolle zaal. Iedereen wilde, moest Schaepman hooren. Een redevoering van hem was „the topic of the day".

< »Van dag tot dag", Hbl. 7 Maart jl.

Sluiten