Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Brj les 15.

Medeklinker z.

De z is als aanvangsmedeklinker tweelijnig, als slotmedeklinker eenlijnig. Men zorge vooral dat dit teeken van boven scherp en van onderen rond geschreven wordt.

Men doet het beste, wanneer men de z zóó begint te schrijven alsof men een d wilde schrijven, en aan het einde een weinig naar links omgaat.

Voor z als slotmedeklinker geldt hetzelfde. Men schrijft dan het teeken alsof men ad wilde beginnen. Alles wat op de z volgt wordt door middel van een lus verbonden.

Hoewel de verbindingen tz, tzt, en zt in de Nederlandsche taal niet voorkomen, kunnen zij toch dienstig zijn bij het schrijven van eigennamen. Voor tz schrijven wij een eenlijnige verdikte z, voor tzt een tweelijnige verdikte z, voor zt een tweelijnige dunne z. Samen is een eenlijnige verdikte z op de c lijn, zw is de verbinding zv. Men zie de voorbeelden.

Voorts hebben wij in deze tabel nog de verkortingen deze, dezen, dezer, dezes.

Zij is een tweelijnige verdikte en ze een tweelijnige dunne z op de c lijn.

Zeer is een eenlijnige z met een r er in, enz. is een eenlijnige z waarvoor het hulpteeken voor de n is geplaatst. Deze laatste teekens staan alle op de grondlijn. Zich is een eenlijnige z op de i lijn, zoo hetzelfde teeken op de o lijn.

Bij les 10.

Verbinding der medeklinkers.

Reeds in de 14° tabel leerden wij verscheidene verbindingen van slotmedeklinkers kennen, bijv. ksch, psch, ngsch, nseh enz. Wij weten nu, dat alle in den slotmedeklinker voorkomende verbindingen, zóó moeten geschieden, dat de voorklank altijd een halve lijn hooger komt te staan dan de naklank.

De verbinding mf komt voor in de woorden kamfer, nimf enz. ast vinden wij in de woorden aanzegster, vraagster; nz in grenzen, bonzen; nst in gonst, kunst; uib in gember enz.

De volgende verbindingen kunnen alleen als aanvangsmedeklinker voorkomen en worden ook weer op eene andere wijze samengesteld. Schrijven wij bijv, woorden njet den aanvangsmedeklinker gn zooals gniffelen, gneis enz. dan schrijven wij den eersten medeklinker altijd een half lijntje hooger, en verbinden daarmede de n zoodanig, dat deze met het onderste gedeelte op de lijn terecht komt. Dit geldt ook voor de verbindingen l:n: knel-

Sluiten