Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vloed komt op.« Zij wandelden terug naar den rand van het eiland waar zij de boot hadden vastgebonden, maar die was er niet meer. Eén der riemen lag op een steen, maar de boot was weg .... Robert had ze niet stevig genoeg vastgebonden. De vloed, die al aardig opkwam, had ze opgetild en het touw losgewoeld, en zoodra de boot vrij was, was ze natuurlijk met de golven meê gedreven. Ze konden haar zien dobberen op de golven, naar de kust toe.

»Wat nu gedaan ?« vroeg Wouter, bleek van schrik. »De vloed zal zoometeen al deze rotsen bedekken. Als we de kust niet bereiken verdrinken we. Kun jij de boot niet achterna zwemmen, Rob?«

»Zij is te ver af,« antwoordde Robert, »en de wind is zóó hevig, die drijft de boot sneller voort dan ik zwemmen kan. Misschien zal iemand ons zien en ons te hulp komen.«

De arme kinderen zaten in doodsangst. Kleine Jet

begon te schreien; de jongens riepen zoo luid zij

konden, in de hoop dat men hen zou hooren. Maar

hun roepen hielp niets, want de kust was te ver af

en de golven overstemden hen. En nergens was een ° ö

boot of schip te zien, behalve hun eigen boot, die al verder en verder af dreef.

»Wacht, hier is een der roeispanen,« zei Robert, deze oprapende. «Geef mij nu je boezelaar, Jet, die is gelukkig wit; ik zal hem aan de spaan binden bij

Sluiten