Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GELD VERDIENEN.

Twee kleine jongens, Jan en Jaak, hadden ieder een kleinen kruiwagen, en daarin brachten ze steenen aan, voor één cent den kruiwagen vol. De baas voor

' O

wien ze werkten was Jaak's vader.

Toen Jaaks vader de ladingen telde om zijn kleine werkjongens uit te betalen, bevond hij dat hij ii cents te betalen aan Jaak en 9 aan Jan. Dat kwam omdat Jan nu en dan had stilgestaan om te rusten, terwijl Jaak had doorgewerkt.

Jan vond het erg jammer dat hij niet evenveel verdiend had als Jaak, want hij had niet gerust uit luiheid, maar omdat hij niet zoo sterk was als Jaak. Maar Jaak was een goedhartige jongen. 11ij zei: »Ik zal je twee van mijn centen geven, dan heb ik maar negen net zoo als jij.« Nu kon Jan wel niet zoo goed steenen kruien als Jaak, maar in 't rekenen was hij hem de baas. Daarom zei hij: »Jamaar, Jaak, als jij mij twee van jou centen geeft, dan heb ik er 11, en jij maar 9. Hoe nu?« Ze waren met

Sluiten