Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE TWEE POESEN.

< was ereis een kat. Diekat woonde in een mooi buitenhuis, en bracht haar leventje door niet — niets doen. 't Was een mooie, zeldzame Angorakat, met lange, zachte haren, cl ie aanvoelen als zij, wanneer je er met de hand over heen strijkt. Ze was wit,

sneeuwwit, zonder een enkel vlekje op haar prachtig lijfje; ze was slank, buigzaam, met mooie, slangachtige bewegingen. Kortom, het was een prachtstuk van een kat.

Haar meesteres was dol op haar, en liet haar door haar bedienden voeden, kammen, borstelen als een klein kindje. Maar daar onze kat nu heelemaal niets voor zich zelve te doen had, werd zij onbeschrijfelijk lui en zorgeloos. Alles wat ze kon en

Sluiten