Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mogelijk, van voren naar achteren, zonder dat de knieën gebogen worden.

28. Cirkel vormige beweging achterwaarts. (5, 10, 1 5 maal)

Idem. Beide oefeningen (No. 25 en 26) moeten, zoowel met het rechter als met het linker been op gelijke wijze worden uitgevoerd.

29. Beendraaien. (8, 16, 30 maal)

Het linker (rechter) been wordt zoo strak mogelijk gestrekt uitgestoken en dan naar links en rechts rondgedraaid, zoodat de punt van den voet beurtelings naar binnen en naar buiten wijsten bij die beweging een vollen halven cirkel beschreven wordt. Beide voeten moeten geoefend worden.

Variaties :

ü) de voetpunt wijst naar boven (gemakkelijk)

b) de voetpunt wijst recht naar beneden (moeilijk)

c) de voetpunt wijst bij het draaien naar buiten opwaarts en bij draaiing naar beneden, op zij.

30. Hetopt rekken van deknieën. (10, 15, 20 maal)

De linker (rechter) knie wordt zoo hoog opgetrokken tot de bovendij volkomen horizontaal staat en parellel met den grond is. Het scheenbeen hangt los neer, de voetpunt wijst naar buiten en naar beneden. Dan wordt de linker (rechter) voet weer neergezet en dezelfde oefening met de rechter (linker) voet herhaald. Steeds afwisselend.

N.B. De tusschen haakjes gestelde woorden beduiden dat de oefening met de rechter voet op dezelfde wijze moet worden gedaan als met de linkervoet, of omgekeerd. Alle oefeningen waarin derhalve woorden tusschen

Sluiten