Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weerstand dien het voedsel tusschen de tanden aan de opheffende beweging biedt. De opheffende spieren hebben niet één aangrijpingspunt aan de onderkaak, maar de aanhechting verdeelt zich over meerdere punten tusschen steunpunt en last. Als de tanden in occlusie zijn, loopt de resultantelijn dezer spieractie even achter den processus coronoideus, ongeveer door den anatomischen hoek van de onderkaak. Iedere hefboom is in dit punt zóó gebogen, dat het occlusievlak der tandrijen loodrecht op bedoelde resultantelij 11 staat, waardoor de tanden den meest gunstigen stand ten opzichte van de opheffende spieren innemen. De spieren kunnen immers de grootste arbeid verrichten als ze loodrecht op 't occlusievlak inwerken.

De weerstand door 't voedsel geboden (d.i. de last) varieert met de plaatsing van 't voedsel tusschen de tanden. Hoe verder 't voedsel in den mond gebracht wordt, des te dichter ligt het bij het steunpunt, des te korter is dus de lastarm van den hefboom, des te minder spierkracht behoeft er dus te worden aangewend, om den geboden weerstand te overwinnen.

Het punt van oorsprong en de insertie der spieren zijn constant, maar daar bij de bewegingen van de kaak de positie van het steunpunt ten opzichte van het punt van oorsprong der spieren verandert, wijzigt zich ook de lengte van den machtsarm van den hefboom, zoodat de spieren in verhouding daarmêe, een geringeren of grooteren weerstand kunnen overwinnen. Hoe dichter de kaken elkaar naderen, des te langer is de machtsarm, des te grooter arbeid kunnen de spieren uitoefenen.

Het blijkt dus dat de hefboom der onderkaak is van die soort, welke het best geschikt is om een zwaren last langzaam over een korten afstand op te heffen.

Deze beschrijving van T u r n e r, stelt, — zoo als gezegd den invloed dien de bewegingen van de kaak op hare functie uitoefenen, voor zoover deze 't afbijten en kauwen van voedsel betreft, duidelijk in 't licht.

Sluiten