Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een bezoek aan St. Paul.

Belangstellende dames, die de goedheid hebt gehad mij zooverre te volgen, ik noodig u thans uit tot het bezoek aan een oord, niet wijd van de Noordpool, de Pribylov-eilanden in de Behring-zee, ten Zuiden van Siberië's uitersten Noordoosthoek en ten Noorden van den Aleoeten-archipel, die niets anders is dan eene voonzetting van het schiereiland Aljaska (in den handel beter bekend onder den naam van Alaska).

Mijne bedoeling is u in deze onherbergzame oorden allereerst te doen kennis maken met de „heeren der schepping", die daar hun scepter zwaaien. Natuurlijk op behoorlijken afstand, want die „mannetjes" zijn de reeds besproken zeeberen. Zij schijnen op ons bezoek al zeer weinig gesteld en ons met hun minachtende blikken te willen beduiden, die pronkers met hun onberispelijk passenden pels, dat zij niet bereid zijn ons hunne kleedij af te staan.

Gelijk bij wilde en halfwilde volkeren is bij de dieren, de man de grootste praler — de fraaist of althans de meest opzichtig gekleede in de wereld der dieren, zoo wordt beweerd, uitsluitend met de lofwaardige bedoeling de wijfjes te behagen, zoodat hoofdzakelijk (ziet er Darwin slechts op na) de „natuurlijke teeltkeus" de bonte schoonheid van pauw en haan, de trotsche en woeste pracht van leeuwen- en stierenkop zou hebben bepaald.

Wat er ook zij van deze maar al te aanvechtbare theorie — en iets schijnt er toch wel van waar te zijn — bij de Urinus Callorhinus bepaalt zich, wat het uiterlijke betreft, de superioriteit van het mannetje tot grootere

Sluiten