Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Is midden Juni. Duizenden en duizenden plaatsen zijn amphiteatergewijze bezet door zoovele mannetjesrobben of bullen. De beste plaatsen zijn vooraan, dicht bij de zee, van waar de wijfjes komen, en hard is er gevochten moeten worden om die te bezitten en te behouden. Reeds weken duurt die strijd, sedert in het begin der vorige maand slechts enkele, maar allengs meer en meer zeeberen hun ligplaatsen hebben beklommen van uit de zee — steeds in dichter drommen opdagend, de voorgangers naar de tweede rij verdrijvend, zelf verdreven door weer sterker strijders, die op hun beurt moeten wijken en de zwakkeren steeds verder naar achter jagend, tot tal van rijen zijn ontstaan en vechtensmoede allen een weinig rust genieten.

't Mag waarlijk wel zijn!

Ziet hem aan, dien veteraan: Hij is met wonden overdekt, veel bloed moet hij verloren hebben en niet minder vet, want hij heeft geen voedsel genoten sinds hij landde!

Wonderlijk vindt gij dat?

Maar als ik u nu zeg, dat hij zal blijven vasten tot hij in Augustus — na afloop van den paartijd — zijn leven in volle zee hervat, dan zal uw verbazing nog stijgen. Dan echter, na al dit vechten en vasten, zal hij zoo uitgeteerd zijn, dat zijn hem eens zoo nauwkeurig passende pels hem als een „paletot cloche" om de leden hangt.

Goed of slecht passend, zijn pels wenschen wij echter niet, want met dat hij zich een plaats heeft veroverd voor zijn aanstaande harem, heeft hij zich de onschendbaarheid verzekerd voor den dood door menschenhand, zooals ik U straks zal duidelijk maken.

Thans valt er iets voor, dat onze geheele aandacht in beslag neemt:

Sluiten