Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houden en voor mensch en dier dragelijk te maken. Zoo weten wij, dat voor liet ontstaan van een nieuw leven bij de hoogere dieren de geslachtelijke vereeniging van een mannelijk en vrouwelijk dier noodig is. Dat het vrouwelijke dier het jonge leven met haar bloed voedt. Dat liet jonge leven steift, zoo spoedig de innige verbinding van 't jonge met 't moederdier verbroken wordt, zoodat het moederlijke bloed, dat voedsel en ademhalingslucht (zuurstof) voor het jonge dier beide bevat, niet meer naar het teedere lichaam van het jong kan stroomen. Dat op deze wet slechts één uitzondering voorkomt, en wel op het oogenblik, dat het jong voldragen is, en de moeder het ter wereld brengt. Dan houdt plotseling de behoefte aan moederlijk bloed bij het jonge dier op, en het begint al dadelijk met de longen te ademen, terwijl het voedsel later door mond en maag in 't lichaam komt.

Maar wij weten nog meer. Wij weten, dat de eigenschappen van het jonge dier, waardoor het zich onderscheidt van andere dieren, zijn overgeërfd van de ouders, niet alleen van de moeder, maar ook van den vader. Hier staan wij weder voor een ondoorgrondelijk raadsel. De geslachtsproducten van alle viervoetige zoogdieren komen in vorm en samenstelling overeen. Beziet men de kleine slijmblaasjes, die men het vrouwelijk ei noemt, van honderd verschillende koeien of inerriën, dan zal men hoogstwaarschijnlijk ook met den fijnsten microscoop geen verschil in vorm of samenstelling bespeuren, en toch ligt in elk ei de kiem voor alle mogelijke eigenschappen, welke zich later bij het jonge dier openbaren. Kleur, beharing, vorm van hoofd en lichaam, karaktereigenschappen, en voorts de zoogen. functioneelé eigenschappen dat zijn de eigenschappen van vruchtbaarheid en meikrijkheid (bij de koe), die van hoog of snel draven (bij de merrie) en dergelijke — zij zijn alle reeds 111 kiem besloten in dat kleine slijmblaasje.

Zoo is het ook met de mannelijke, bevruchtende stof. Ook dit bevat in kiem de eigenschappen van het vaderdier, ui dat niet alleen, maar ook die van zijn voorouders.

Wij zien het, maar doorgronden 't niet!

Maar kom, laten wij ons niet langer verdiepen in hetgeen voor ons verborgen is, maar ons bezig houden met hetgeen ons bekend geworden is, en wat wij hebben leereu beschouwen als natuurwet.

Sluiten