Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A. Kan, kunnen, kunt ; kon, konden ; zal, zullen, zult, zullende; laat, laten, gelaten, laatst; zou, zoudt, zoude, zouden ; wil, willen, wilde, wildet, gewild; mag, moge, mogen, mocht-, had, hadden, liadt gehad ; hen, bent.

It. Do teekens voor ik en u worden aan oll verkorte hulpwerkwoorden verbonden. Ik kan, kan ik, u kunt; ik kon, kon ik, u kou, kon u, kon ik u: ik zal, zal ik, ik zal u; laat ik. laat u, laat ik u; ik zou, zou ik, ik zou 11; ik wil, wil ik, wil u, wil ik u; ik mag, mag ik, mag ik u: ik mocht u: ik had, had ik, had u; had ik u; ik ben, ben ik, ben ik u; ik heb, heb ik u, enz.

('. Evenzoo verbinden wij het. Ik kan het, kan ik het, ik laat het, u laat het, laat ik het u, was ik het u; ik word het, ik kon het, kon ik het, kunt u het, enz.

I>. Voor den uitgang -lijk nemen wij hetzelfde teeken als voor -lei, hetwelk gemakkelijker geschreven wordt en gemakkelijker verbindingen vormt :

Vriendelijk, vriendelijker, liefelijk, ontvankelijk enz.

E. Voor -dom bezigen wij het teeken voor de open o, dat in 't meervoud met een haakje verbonden wordt.

Bisdom, bisdommen, hertogdom, vorstendom.

F. Voor het voorvoegsel toe gebruiken wij niet de dikke f. maar het teeken voor den klinker oc, doch zonder ophaal.

Toestand, toeval, toeloopen, toesteken, enz.

§ 3. —Hieronder geven wij een hoeveelheid vaste verkortingen; deze zullen wij om het aanleeren te vergemakkelijken, verdeelen in verkortingen op, boven en onder de grondlijn.

A. Op de grondlijn schrijven wij:

1. algemeen, 2. alsmede, 3. ander, anders, andersom, verandering, 4. beter, beterschap, verbeteren, 5. dikwijls, G. dikwerf, 7. terwijl, S. een, eenig, eenheid, vereenigen, !». eerst, 10. elders, 11. elk, elkaar (-ander), 12. hem, 13. gaarne (graag), 14. gansch, 15. geen, degene, desgenen, l<i. geheel, 17. iemand, iS. men (ten, bijv.: tengevolge, tenslotte, teneinde-. 19. niemand, niemandal, 20. jegens, 21. meer, meerderen, vermeerdering, meerderheid. 22. nauw, nauwelijks, ternauwernood, 23. nochtans, 24. steeds, 25. tamelijk, 20. tevens, 27. van, 2s weldra, 20. zeker, verzekering, 30. zelf, zelfs.

B. Op de i-lijn schrijven wij:

1. dien, diens, buitendien, bovendien, indien, 2. ginds, 3. immer, inmers, 4. min, minder, vermindering, 5. misschien, G. wien, wiens.

Op de o-lijn plaatsen wij:

Sluiten