Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die vaart b.v. bij c. ligt een brug, waarvan de breedte gelijk is aan de breedte der vaart. Teeken die brug.

28. Als bd. (zie 27) de hoogte van een wal voorstelt, hoe zou die wal loopen? Ook langs den anderen kant der vaart. Teeken nu de brug op den bovenwal.

29.

abv. is een vaart. Bij s. en q. beginnen langs die vaart wallen, die een hoogte hebben gelijk aan rp. Teeken ze. In c. staat iemand op 't ijs. De lengte van dezen persoon is 3/4 van de hoogte van den wal. Plaats dezen persoon in o. „op" den grond.

30. Wat verstaat men door de perspectivische schaal? Bij welke vraagstukken hebt ge van deze schaal reeds gebruik gemaakt?

Bovenstaand vaasje wordt zoo gezien, dat de li trizon ter hoogte van de lijn II11 komt. Hoe zullen de verschillende cirkels zich aan Ir t oog vertoonen 'i

32. Teeken boven den horizon de perspectief van een kwadraat. Welke zijde ligt het dichtst bij het tafereel?

abv. is een vaart. Bij s. en q. beginnen langs die vaart wallen, die een hoogte hebben gelijk aan rp. Teeken ze. In c. staat iemand op 't ijs. De lengte van dezen persoon is 3/4 van de hoogte van den wal. Plaats dezen persoon in o. „op" den grond.

30. Wat verstaat men door «Ie perspectivische schaal? Bij welke vraagstukken hebt ge van deze schaal reeds gebruik gemaakt?

29.

Sluiten