Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

allicht zou meenen. Opmerkelijk is nog, dat hiervan een oude vertaling bestaat, waarin ons verhaal is weggelaten (PI. 110.) De Divisie Chronycke, die volgt, heeft voor de zaak groote beteekenis gekregen, omdat haar verhaal is overgenomen door Lelong, Beschr. van de Reformatie der Stadt Amsterdam, en Marius,Amsterdams Eer ende opcomcn, enz. Van Joh. aLeydis verschilt het slechts op twee weinig belangrijke punten: Wat de zieke uitwerpt, wordt in 't vuur gegoten, omdat men niet ziet, dat de hostie zich er tusschen bevindt ; bij J. a L. daarentegen, omdat men ze er in vermoedt. En de vergelijking met het hart van een snoek is weggelaten; blijkbaar uit een gevoel, dat wij slechts kunnen prijzen. Trouwens sedert Joh. a Leydis geschreven had, was ook in de lage landen aan de zee het humanisme doorgedrongen.

Hiermede sluit de reeks der kronieken getuigen Want hoe de heer Pluym tblz. 107) Boekenberg als zoodanig kan aanvoeren, is — men zou zeggen : onbegrijpelijk. Hij zegt zelf, dat B. zich beroept op de Divisie Chronycke. Zijne vermelding van het wender kan dus ten hoogste slechts bewijzen, dat hij vertrouwen in deze stelde. Mair wat zegt hij ervan? Dat zij ongeloofelijke (fide superantia) dingen van de hostie vertelt. Hij vertrouwde haar in deze zaak dus niet; en dit spreekt dan ook van zelf, daar hij Hervormd was. Maar wie de — laat ons zeggen: Nuyens methode kent, begrijpt licht, dat de heer Pluym zich gretig op dit getuigenis van een Protestant" heeft geworpen ; en in zijn ijver niet bespeurd, dat het niets beteekent; en zoo het iets beteekende, tegen zijne stelling zou pleiten.

Volgt de hoofdgetuige, het „Mirakelboekske."

Het is, zoover wij weten, slechts bewaard in een druk van 1568 (en dezen kende althans de hr. Pluym slechts in een ex., ter Kon. Bibl); doch Lelong heeft nog een andere uitg van 't zelfde jaar gekend; en eene zonder jaartal, maar met „1518" op de titelplaat, wat hem (zeker terecht) deed vermoeden, dat toen de eerste druk is verschenen. De titel luidt:

„Hier bcghint die vindinge van 't hoochweerdige ende Heylige

Sluiten