Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

twe warf, ter t ij t dat die man ende syn wyf ende veel van haer vrienden met berouwe deuotelyc versochten 't keylig Sacrament wollen (28) ende barvoet met haer offerhanden in die Kercke (29).

Zooals men ziet een letterlijke vertaling, op de inleiding, de dagteekening en de uitbreiding der snoek-vergelijking na, van Joh. a Leydis; niet omgekeerd; want behalve dat de taal hiervoor te jong is, zou J. a L. zeker de dagteekening niet hebben weggelaten, hadde hij ze in zijne bron gevonden. En nog minder zou hij hebben weggelaten, wat nu in het mirakel-boekske onmiddellijk volgt (Pluym 140; Lelong 198, Commelin, Beschr. v. Amst. I, 4^4 )

„Ende want alle dese voorseide puncten van den heyligen sacrament warachtig zyn ende wi bekennen, dat si in der waerheit so gesciet zijn, als voorscreven is, so hebben wi Floris van Boechorst, Ridder Baeliu des mogenden Princes des Heren Graefs van Hollant, in den lande van A.nstel ende in Waterlant, scout, scepen ende rade der stede Acmstelredam, om dese miraculen alle Kersten menscen te kondigen, onse segelen hier an gehangen. In 't Jaer ons Heren MCCCXLV des donredaechs in der octavam van Pacsschen."

Dit is geen taal van 1345. Wij zullen trouwens straks het Latijn ontmoeten, waarvan het een vertaling zal blijken te zijn. Maar zoo als het hier staat, (en in 't Latijn evenzoo) is 't het slot van een oorkonde, waarvan het vorenstaande, van „het geseisde" af, derhalve 't verhaal van Joh. a Leidis, den inhoud en 't dien voorafgaande de arenga., den aanhef, uitmaakt. Hoe kan J. a L. nu die oorkonde gekend hebben, en haar slot en aanhef niet? en zoo hij deze gekend heeft, hoe kan hij ze hebben weggelaten ?

Volgt het Latijnsche getijdenboekje (PI. 119).

Succincta enarratio miraculorum quae gloriose operatus

(27) euvel, de vallomie ziekte, (2S) d. i. zonder onderkleeding.

(29) Daar dit hot laatste verhaal is, dat ik woordelijk zal aanhalen, wil ik hier opmovken, dat nergens sprake is van oono genezing der ziekte, die aanleiding tot hot wonder had gegeven. Eu men kan toch niot aannemen, dat do zieke niot geloofde, wat zijn naaste betrekkingen mot oigen oogen hadden gezien!

Sluiten