Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oude Griekenland in de 5e eeuw vóór Christus vertoont het zelfde grootsche verschijnsel, dat de strijd voorde nationaliteit tegen de schijnbare overmacht tot het besef voert van de sluimerende geestkracht, en, wanneer het dreigende gevaar gaat wijken, de tot werkzaamheid opgewekte menschengeest zich werpt op de werken des vredes, zonder daarom ook in het minst te verslappen in den ontwaakten ijver om de nationaliteit te handhaven tot eiken prijs. De „gouden eeuw" van Nederland leert door hetgeen zij schiep beter dan het bondigste betoog wat het beteekent, dat een volk tot de erkenning is gekomen van zijn eigenwaarde. Niettemin, zulk eene snelle ontwikkeling van het zelfbewustzijn heeft voor een volk even goed zijne gevaren als voor den enkelen mensch, en zeker bestonden die gevaren in een slecht geordenden staatstoestand als in de Nederlanden, bepaaldelijk in de gewesten, die zich het meest hadden ingespannen en het eerst waren gekomen tot zelfstandigheid en tot stoffelijke welvaart.

De samenstelling der regeeringscollegien leidde er van zelf toe, dat de belangrijkste vraagstukken, op het gebied van geldelijk beheer, buitenlandsche staatkunde, inrichting van leger en vloot, kortom van de landsregeering in haren ganschen omvang, aan de beoordeeling en beslissing waren onderworpen van de leden der gewestelijke, en in laatste instantie der stedelijke besturen, zonder wier last geen stem kon worden uitgebracht. Elk lid eener vroedschap, ook van de kleinste der stemmende steden, was een staatsman en voelde zich als zoodanig, wetende dat zijn woord, zijn stem, een onmiddellijken invloed liet gelden in alle zaken zonder onderscheid. In een

Sluiten