Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

•luist die kunst, die door de Reformers geheel op den achtergrond wordt geduwd — de gebruikskunst en de bouwkunst.

Deze takken van kunst zijn algemeen eigendom en als zoodanig ligt het op den weg van het teekenonderwijs, vóór alles het schoone daarin te zoeken.

De kunst de schilderkunst — is een „museumkunst."

\ olkomen waar, èn zouden we er kunnen bijvoegen van rijke paiticulieren, wier kunstzin ontwikkeld is en die zich de weelde kunnen veroorloven, er kunstproducten op na te houden, zonder ander doel dan uit pure ,Liebe zur Kunst" of wel uit ijdelheid. Maar hoe weinigen zijn er zoo, en zou dat onder de gegeven omstandigheden anders worden ? Stel dat de ontwikkeling van den kunstzin in die richting inderdaad van zoo groote beteekenis was, noodig was voor de vorming van den smaak, zou het kind meer begrip krijgen van ware kunst, van het schoone in die kunst, dooi zelf in die richting wat te lief hebberen ?

En hoe weinigen vinden na het verlaten van de school daartoe de gelegenheid, den tijd? Deze kunst zal bljjven - het terrein van bijzonder bevoorrechten, zal blijven een ,Museumkunst."

Het eenige middel, om bij het kind gevoel voor deze kunst te ontwikkelen, is, het met kunst in aanraking te brengen.

Door het fabriceeren van schilderijtjes, die met kunst niets gemeen hebben, door wat gemors met waterverf, door het vormen van schildertjes en illustratortjes op zeer kleine schaal, zal de kunstzin m. i. niet ontwikkeld worden.

Het onderwijs leide er toe. dat het kind het mooie leert zien in „eenvoudig werk uit eerlijk materiaal vervaardigd", aldus de heer Perk.

Juist! Dit werk ligt onder 't bereik van de massa. Men leere het kind dus het mooie daarin zien, zoeken en liefhebben. De mensch (ook de eenvoudige en minder bedeelde) beweegt zich steeds tusschen voorwerpen van dagelijksch gebruik, door men-

Sluiten