Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

randen rust dit veen op diluviaal zand (zooals ik ook in de Vinkeveen-Proostdij-, Béthune en aanliggende polders langs de Vecht in Utrecht, aan de kusten der kleine diluviale eilandjes (Wieringen, Urk, Gaasterland, enz.) heb kunnen waarnemen. Verder van de diluviale grenzen af', rust zij op de zoogenaamde blauwe zeeklei. Deze rust op hare beurt >p eene laag zeezand. Die oude blauwe zeeklei is in het bovenste gedeelte der laag vol stoppels van riet. Dit heb ik overal waargenomen, bijv. in den Legmeerpolder, in den IJboezem, bij het onderzoek der talrijke boormonsters uit de Zuiderzee en het Wieringermeer, onder de veenen en de zeeklei in Groningen, (waar zij gewoeld wordt om den bovengrond te verbeteren) met name in de veenachtige gronden van Duirswolde zoo als ten noorden van Schildwolde, Noordbroeksterhamrik enz.

Als men in dit lage veen, dat in zoet water zich moet hebben gevormd, zoutdeelen vindt, dan is dit alleen daar, waar van de oorspronkelijke laag van 3—4 Meters dikte, nog een dunne laag over is, welke door eene latere zeekleivorming, (dus in brak- of zeewater) overdekt is geworden, of in die gedeelten, waar het veen in brak water gevormd is zooals in Zeeland. Het groote zoetwaterbekken is niet geheel gevuld geworden, zoodat er meeren overbleven. Ook kan reeds in historischen tijd een gedeelte weder weggeslagen zijn, want de Romeinen hebben het meer Flevo gekend, als een „ingens lacus".

De Rhijn, de Maas. de Schelde hebben in die veenkom hunnen weg moeten vinden, en eene uitmonding in den duinwal. De veenen strekten zich tot aan den duinwal uit. De duinwal heeft vroeger zelfs westelijker gelegen, en is (vermoedelijk (eenige honderden Meters) meer binnenwaarts verplaatst; want onder de duinen wordt nog veen, met de overblijfselen van bosschen die op het veen gestaan hebben, waargenomen ').

H Dit heb ik waargenomen onder de duinen van Scheveningen, waar het duin is afgegraven.

Sluiten