Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Wadden verkeerden niet in hunnen tegen woordigen toestand, waarbij eb en vloed van het zeewater plaats heeft, dat door de ruime, later gevormde, zeegaten in den duinwal tusschen de reeks van eilandjes in- en uitgaat, en aanslibt of afslaat. Deze toestand bestond gedeeltelijk wel reeds in den Romeinschen tijd, maar is toch van lateren tijd als de veenvorming in zijn grootste uitgebreidheid, toen de veenen zich tot aan den duinwal uitstrekten. In den Romeinschen tijd moeten echter de zeegaten tusschen de eilanden veel nauwer dan thans geweest zijn, en nog niet alle bestaan hebben. Van die groote veenvorming is een groot deel afgeslagen en verdwenen in den historischen tijd, ja zelfs een groot deel in den vóórhistorisch en tijd, zooals uit vele gegevens mag afgeleid worden. De nieuwvormingen, die op het afgeslagen veen zijn afgezet, hebben plaats gehad zoowel in den vóórhistorischen als in den historischen tijd.

In dat lange tijdvak tusschen de opvulling van het geheele haf achter den duinwal met veen en het begin van den afslag, moet heel wat gebeurd zijn: eene langzame daling van den bodem, eene verwijding van de riviermondingen en van de zeegaten, het ontstaan van nieuwe zeegaten in Zeeland, bij Texel, tusschen Texel en Vlieland, ') tusschen Terschelling en Ameland, Ameland en Schiermonnikoog, enz. enz., in één woord : in dat lange tijdvak heeft de zee weder hare heerschappij over de lage landen tusschen het diluvium van Nederland en den duinwal hernomen.

A DE NIEUWVORMINGEN IN DEN HISTORISCHEN TIJD.

Uit den historischen tijd, na het begin onzer jaartelling weten wij 1°. dat allengs het veen weggeslagen is en de Zuiderzee en ten laatste het IJ zijn ontstaan, totdat de dijkaanleg na 1000—1500 daaraan paal en perk heeft gesteld;

1) Tusschen Vlieland en Terschelling lag de monding van den IJssel.

Sluiten