Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behalve in het Wieringermeer, is meer zeezand bezonken, en zijn geulen van 5 M. en meer diepte ontstaan.

Voor het afslaan der veenen behoeven geene grootere katastrophen plaats gehad te hebben dan heftige storm- en springvloeden, vooral als daardoor de oudste nog zwakke bedijkingen bezweken en een groot stuk land onderliep. Overigens knabbelen de gewone vloedgolven voortdurend aan het veen, en brokkelen deze daardoor af. Dat heeft de geschiedenis van de uitbreiding van den Beemster de Haarlemmermeer enz. genoeg geleerd.

2. De Dollard.

De daarin verdwenen gronden waren lage veenen „niet bestand tegen den aanslag van het water bij geweldige vloeden", zooals Ubbo Emmius heeft gezegd. Waren er sedert de 11de eeuw en nog vroeger geene dijken aangelegd. de Dollard zoude reeds vroeger ontstaan zijn. Nu weten wij, dat de eerste groote inbraak in 1277 heeft plaats gehad; door den heftigen stormvloed van 13 Januari 1277 bezweek de Eemsdijk bij Jantum, tegenover Emden.

Zulk een inbraak brengt een overstrooming te weeg. Bij herhaling van inbraken door storm- en springvloeden, en wanneer de dijken niet hersteld worden, gaat dan de wegspoeling van het veen allengs voort. Dat is juist bij den Dollard het geval geweest. Herhaalde vloeden gingen gepaard met verzuim van dijkherstellingen wegens oneenigheden en inlandsche oorlogen. Zoo duurde de vernieling wel derdehalve eeuw voort. Een dijk, die in 145-4 meer naar binnen gelegd was en nog een gedeelte beschutte, bezweek in 1507. In het midden en tegen het laatst van de zestiende eeuw werd de zeedijk zooveel ingelegd, dat aan verder landverlies paal en perk werd gesteld. De Dollard had toen zijne grootste uitbreiding bereikt Ware dit niet geschied, dan zou de vernieling doorgegaan zijn en al de dargachtige en veenlanden van het landschap Duirswolde, de lage veenen daarachter, alles tusschen de diluviale grenzen (de Hondsrug, het diluvium van Hooge-

Sluiten