Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3 De nieuwe polders in Fivelgoo.

Nog vroeger als de Dollardboezem is een boezem in Fivelgoo met nieuwe klei opgevuld geworden; zooals ik reeds in 1886 heb uiteengezetl), op grond dat daar geene terpen voorkomen, en de bodem uit eene lichtere klei, zavel genaamd, bestaat.

Wanneer mijne hypothese juist is, en de Groningsche en Friesche veenen hebben zich voortgezet tot aan den Duinwal, dan zoude in dezen Fivelboezem, in een veel vroeger tijdperk, ook laagveen aanwezig zijn geweest, even als in den Dollardboezem. Het is echter de vraag of van die veenlaag nog iets over is, dan wel of zij geheel weggespoeld is. Dat moet nog onderzocht worden. De Heer Rietema schrijft mij, dat, voor zoover hem bekend, in de nieuwe landen van den vroegeren Fivelboezem nooit veen of darg bemerkt is. Men vindt overal onder de vrij dunne (2,5—5,0 dM.) bouwvoer van zavel eene meter dikke laag blauw zand met zeeschelpen, zooals op het Uithuizer wad. De ondergrond van de zavellaag is dus een bank van zeezand, die beide bewijzen, dat de afzetting van slib in het oude Fivelbekken niet in zulk rustig water als in den Dollardboezem heeft plaats gehad, voor zoover daarin de tegenwoordige Dollardpolders ontstaan zijn.

Deze Fivelboezem, waarin de Fivel bij Wester-Emden uitmondde, werd ten Zuiden begrensd door het vak zware stijve kleigronden volgens eene lijn, die West-Oost loopt langs Zeerijp, Godlinse, Losdorp, Spijk; zij wordt ten Westen begrensd door eene lijn, die Zuid-Noord loopt van Wester-Emden, naar Garsthuizen, Eppenhuizen, Zandeweer, Olddorp, tot aan den ouden Zeedijk, die tot aan 1717 als zeedijk gediend heeft. Het land buiten die grenslijnen is zavelgrond en draagt geene Terpen. Eene reeks van bedijkingen heeft daarin plaats gehad. De Heer S. P. Rietema,

1) Zie het kaartje IV in mijne Bijdragen tot de kennis van den alluvialen bodem in Nederland. Verhand. Kon Akad. van Wetensch. 1886.

Sluiten