Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lage veenen nog oude, vroeger dan de veenen gevormde zeeklei- of zeezand-lagen voorkwamen, die daarin heuvels of banken uitmaakten, welke het groote meer verdeeld hebben.

In het IJ heb ik daarnaar gezocht. Ik vond daarvan werkelijk eene aanwijzing in eenige nog bestaande eilandjes (Ruigoord, de Hoorn), in buitendijkslanden die nog aan de kust vast waren'), en in de overblijfselen van eenige eilandjes, die vroeger bestaan hadden 2).

Een groot aantal boringen leerde mij, dat in het IJ wel op enkele plaatsen een zeezand-bank zich onder het veen bevond, maar dat overigens op 4,2 M. — A.P. de blauwe klei als grondslag eindigde. Het afwijkende bestond daarin, dat op die blauwe klei zich slechts eene dunne laag veen bevond 3) en daarboven weder blauwe klei of spierklei4), en dan pas weder het gewone laagveen. De blauwe klei reikte dus veel hooger dan overal elders in het IJ, van 2,9 tot 1,3 M. — A.P."). Ook op het Bikkerseiland bij Amsterdam heeft Harting een dergelijken toestand uit eene boring afgeleid 6).

Het is dus duidelijk dat, nadat de veen vorming in zoet water begonnen was, en eene dikte van ± 1 M. bereikt had, hier en daar kleiafzettingen hebben plaats gehad, en dat deze zich als heuvels of banken in het groote meer hebben verheven, om en op welke zich nieuw veen gevormd heeft. Reikte de oude klei tot aan de oppervlakte, dan is een eilandje blijven bestaan zooals Ruigoord en de Hoorn.

1) Buitenhuizen, Inlaagpolder, Heijuingpoldertje, Spieringhornerpoldertje, Overbrakerpolder).

2) Hoeknes, Jan Rebellenwaard, Buiten Heyningh en nog twee eilandjes, die op de oudste kaarten niet voorkwamen, en thans reeds lang met eene laag nieuwe klei overdekt waren.

3) Op verschillende plaatsen waargenomen ter dikte van 0,3—0,5— 0,7-0,8-1,1-1,4 M.

4) Ter dikte van 0,4—0,6—0,9—1,3—1,5—2,1 M.

6) Tot 1,3-1,6-1,4-1,6-1,6—2.0-2,0—2,2—2,9 M.

6) Eene tusschen het veen liggende kleilaag, die reikte van 7 tot 2,2 M. — AP.

2

Sluiten