Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II.

De Terpen.

1. Grondslag der Terpen.

De waarnemingen hebben geleerd, dat een kwelder, zooals wij dien boven beschreven, en die zelf op het veen is afgezet, als de grondslag kan beschouwd worden, waarop de Terp is opgeworpen. Als die grondslag nog dieper gevonden ware, en tot in het veen, of zelfs tot in de nog oudere zoogenaamde blauwe kleilaag ') reikte, dan zoude hij nog ouder zijn dan de opslibbing der nieuwere kleilaag, welke op het veen is afgezet. Nu de grondslag echter in de nieuwere kleilaag ligt, zoo zijn de terpen op den kwelder aangelegd, nadat deze reeds zelf eene zekere hoogte bereikt had.

Reeds Stratingh heeft opgemerkt, dat de onderlaag der Terpen uit aangeslibde klei bestaat en zij niet op veen of diluviaal zand rusten.

De Heeren Elema merken hieromtrent op :

„De diepte van den voet der wierde van Toornwerd komt „vrijwel overeen met de ligging van een laagje darg onder „de kleigronden van Ilunsingoo binnen den kring der wier„den. Ook deze darg ligt ongeveer op een diepte van 1 M. „beneden de oppervlakte (het maaiveld)".

In die darg vonden zij wortelstokken van riet, schelpen en zeewaterzouten.

1) die tegenwoordig in het Nederl. alluvium op 4—5 Meters onder A.P. gevonden wordt (zie bladz. 5).

Sluiten