Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan deze beschouwing hecht zich de vraag 1°. of in dien tijd de zeegaten tusschen de eilanden verwijd zijn en de vloeden op den kwelder sterker en hooger zijn geworden; 2°. of de bodem eene daling heeft ondergaan. Beide oorzaken moesten de behoefte medebrengen om de Terp te verhoogen.

Dat de zeegaten tusschen de eilanden van den duinwal na het begin onzer tijdrekening en reeds geruimen tijd daarvoor zijn ontstaan en allengs wijder geworden zijn, is zeker. Daardoor is dus bij den dagelijkschen vloed eene grootere en grootere hoeveelheid slibhoudend water op het Wad en de Kwelders ingestroomd, en zijn deze hooger geworden, zoodat de vluchtheuvels minder en minder beschutting aanboden, als zij niet verhoogd werden. Dat hebben S. en W. reeds ingezien. Daar intusschen de aanslibbing op de kwelders voortging, moet de verhooging der vloeden steeds de ophooging door aanslibbing overtroffen hebben, zooals de latere bedijking bewijst.

Stratingh wijst reeds op de mogelijkheid van eene daling des bodems, die nog na de oprichting der Terpen is voortgegaan. Dr. Lorié is ook van die meening. Het zekere bewijs voor die daling, evenmin als de schatting van derzelver bedrag is nog niet gegeven, ofschoon die daling rekenschap zou kunnen geven van de bewoonbaarheid der lage veenen (die thans onder A. P. liggen) in de vier gouwen, in Overijssel, Noord- en Zuid-Holland, als zij niet hooger dan thans gelegen hebben.

Het tijdvak van den aanleg en van de verhooging der Terpen heeft wel duizend en meer jaren geduurd. Verscheidene, zoo niet vele, kunnen eerst in latere eeuwen zijn opgericht, andere kunnen op eenmaal, of althans in een kort tijdsverloop, tot hunne volle hoogte zijn opgericht. De dorpen en vooral de kerken, zooals wij die thans op de meeste Terpen vinden, dagteekenen uit de laatste eeuwen vóór de twaalfde en behooren dus tot de laatste phase.

Sluiten