Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het aantal Terpen (grootere en kleinere) in Westergoo en Oostergoo is zeer groot. Het bedraagt, volgens Mr. Boeles een vierhonderdtal. Het aantal in Hunsingoo en Fivelingoo zal wel een honderdtal bedragen, of althans daartoe naderen. Op de kaart van Nederland door Stratingh in Deel II, Stuk 1 van zijn „Alouden Staat" tel ik er 81, waarvan slechts twaalf onbewoond. Zij zijn in de vier Gouwen over de oppervlakte der oudere kleistrook (de nieuwere polders hebben geene Terpen) tamelijk regelmatig verspreid. Deze Terpen kunnen in ouderdom zeer verschillen, wat hare eerste oprichting betreft. De vraag rijst, of hun aantal uitgebreid is, naarmate de kwelders door verdere opslibbing breeder en in dezelfde mate hooger werden, dat wil zeggen: dat door de opslibbing de slikken (zooals zij genoemd werden) vóór de reeds bestaande kwelders tot kwelder werden opgehoogd. Daardoor werden de kwelders breeder, en konden allengs nieuwe Terpen opgeworpen worden. Dit proces moet dan op overeenkomstige wijze plaats gehad hebben, als in historischen tijd gedurende vierhonderd jaren (in Fivelingoo zelfs langer) polders in den Dollard, in Hunsingoo en in Fivelingoo, in de Middelzee, achtereenvolgens zijn bedijkt, naarmate de opslibbing genoeg gevorderd was.

Dan moeten dus de oudste Terpen gezocht worden in het Zuidelijkste gedeelte der kleistrook in Hunsingoo, Fivelingoo, Oostergoo; in Westergoo in het Oostelijkste gedeelte dier streek. De minder oude zijn dan dichter bij de zeedijken te zoeken.

Edoch, fusschen die oudste Terpen kunnen jongere liggen, die opgericht werden, als de bevolking toenam.

Door die beide oorzaken, met name aan de tweede, heeft men weinig of nooit gedacht.

Men zal dus in het vervolg moeten onderscheiden:

1. De oudste Terpen, die de eerste en de tweede phase hebben doorgemaakt.

2. De jongere Terpen, die slechts de tweede phase hebben

Sluiten