Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Het volk woont op heuvels ofhoopen, en plaatst daarop „hunne hutten".

„Zij maken die heuvels met de handen, om zich te beveiligen tegen de woede der hoogste branding, zooals zij „die uit ervaring kennen."

„/ij leven van vischvangst, en breiden vischnetten uit „zeewier en biezen."

„Zij hebben ook brandstof, „lutum" en „terra" genoemd, „waarmede zij hunne spijzen koken, en zich zeiven verwarmen".

Wat deze brandstof is, daaromtrent is reeds eene meening uitgesproken door Stkatingh. Deze brandstof kan niet anders zijn dan darg, die de terpbewoners onder de klei vonden daar, waar de kleilaag nog niet hoog opgeslibt was (dus in de slikken), of de darg, die kwam aandrijven als zij losgespoeld was. Deze darg was geheel nat „maar spoediger in den wind droog, dan de klei"; zij gelijkt dan op eene zwarte aarde, en kan natuurlijk branden.

„Zij hebben geen ander zoet water om te drinken, dan „het regenwater, dat zij in kuilen bij hunne woningen „opvangen. Die kuilen zijn in de Terpen te Toornwerd en te Hoogebeintum in groot aantal teruggevonden.

Plinius onderscheidt niet de aarde, waarvan de tumuli met de handen zijn gemaakt, van het slijk (de darg), die zij met de handen grijpen en als brandstof bezigen, om spijzen te bereiden en zich te verwarmen. Daarmede stemt overeen, dat in de Terp van Uskwerd een haard is gevonden met asch van brandstof.

Wat verder in Plinius' verhaal niet past op onze Terpen is het niet houden van vee en misschien ook het niet jagen.

Want de herten-, oeros- en zwijnen-beenderen, die gevonden zijn, wijzen wel op de jacht, maar het is de vraag, of deze niet uit de hoogere lagen afkomstig zijn, in de tweede' periode der terpbewoners Dit moet nog onderzocht worden.

De naburige veengronden of veenkleigronden droegen bosschen, waarin gejaagd kon worden, zooals de namen der zandstreken en der dorpen nog aanduiden : de land-

Sluiten