Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sommigen sedert de wet tot stand kwam, aarzelen zwakke of ongeneeslijke werklieden in dienst te nemen, ten einde hunne kas niet te bezwaren 1). Zelfs verzetten zich soms de andere werklieden tegen het komen van hen, die eene zwakke gezondheid hebben, voor wie zij de kosten van ziekte gedeeltelijk zouden moeten dekken.

Wat men ook doe, zoo besluit de Schrijver, de officieele liefdadigheid, onder wettel ij ken en algemeenen vorm, en de particuliere of vrije liefdadigheid kunnen niet lang samen gaan: de eene moet de andere te gronde richten.

De verzekeringsdwang, die zedelijke plichten door wettelijke vervangen wil, dringt het ethische, de zedelijke factoren uit het leven weg.

De werkman wordt niet geleerd vooruit te zien. Veeleer omgekeerd. Hij behoeft niet aan den kwaden dag te denken. De wet doet dit voor hem. Zij bepaalt wat van het inkomen met het oog daarop ter-zijde gelegd moet worden. En op gelijke manier handelt zij ten opzichte van den patroon. De wet zal uitmaken wat de patroon voor den werkman moet doen. Heeft hij, gelijk immers ten onzent uitdrukkelijk gezegd is, daaraan voldaan, dan heeft hij geene zedelijke verplichting meer. De wettelijke komt voor haar in de plaats. Nu kan de wet zelfs niet waarborgen, dat de patroon zich offers

l) Op hetzelfde wijst Claudio Jannet, t. a. p., 2de dr., bl. 317, als hij schrijft: daar iedere werkman, aan eene fabriek verbonden, noodzakelijkerwijs gedwongen is aan de weldaad van de ziekenkas deel te nemen, zoo hebben de patroons er belang bij de ziekelijke werklieden, met ongezond voorkomen, die eenen te zwaren last voor de kas konden worden, te weren. Ook haalt Jannet deze verklaring van Gruner aan: het onmiddellijke resultaat van de wet (op de ziekteverzekering) is geweest, dat vele half-invalide werklieden, die de ondernemers uit medelijden in dienst hadden, maar zonder hen tot de ondersteuningskassen toe te laten, — hun brood, dat zij verdienden, verloren hebben, en tot den bedelstaf zijn gebracht.

Sluiten