Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor den werkman getroost. Dikwijls zal dit niets meer zijn dan schijn. Maar al ware dit niet het geval, al kon de wet uitwerken, dat de patroon wezenlijk bezwaard werd met het bedrag, door haar bepaald, — dan zoude de wet toch schade toebrengen aan het leven, schade aan den patroon, schade aan den werkman, door het zedelijk element van liefderijk hulpbetoon uit het leven te lichten; dat zedelijke element, hetwelk mede een belang is voor den patroon, gelijk in zekeren zin ook de arme minder behoefte aan den rijke heeft dan omgekeerd1); dat zedelijke element, hetwelk voor den

') Het is eene vernederende, goddelooze leer, dat de arme, de hulpbehoevende, van den welgestelde leven moet; dat hij wel van honger sterven moet, als de rijke niet helpt. »Onze Vader, die in de hemelen zijt, .... ons dagelijksch brood geef ons heden." Het is God, die den menschen brood geeft. Hij kan dat doen door den vermogende tot milddadigheid te bewerken, maar ook op andere wijze. Echter is het voor den met vele goederen gezegende van groot belang telkens aan de armen herinnerd te worden, dezen te zien. Opdat hij zijne voorrechten leere beseffen; opdat hij gevoele ook aan anderen te moeten denken; opdat hij, gelijk dit vaak mogelijk is, door den arme versta, dat het geluk, de tevredenheid niet uit het goud voortkomt; dat er nog betere schatten dan de aardsche zijn. Evenals de zieken, de lichamelijk ongelukkigen van groote beteekenis voor de gezonden zijn. Om dezen tot het inzicht te brengen van de goedertierenheid God's over hen. Om het gemoed te stemmen tot medelijden en barmhartigheid. Wie zal zeggen hoe grooten invloed een ongelukkig kind in een gezin menigwerf voor de vorming, de opvoeding van de broêrs en zusters heeft gehad, welk een zegen daaruit voor dezen is voortgekomen, welke zegen straks doorwerkt op het gezin, aan welks hoofd zij staan, en daarbuiten. En dan zoo vaak de zorg, de toewijding van de lijders, die van de buitenwereld afgesneden zijn, voor den kleinen kring, waarin zij leven. De moeder op haar ziekbed, die altijd bezig is met het eeuwig heil van man en kroost, steeds de priesteresse is, die hare gebeden voor hun behoud opzendt naar den troon der genade. Zij wordt in goedheid God's nog gelaten, omdat het werk, het voornaamste werk in het gezin, dat rust op de schoudeis en in de handen dier vermagerde vrouw, nog niet is voltooid.

Sluiten