Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op die wijze ware voort te gaan; maar waartoe meer?

Inderdaad is de gedachte aan een ongeveer gelijk bedrag, dat door alle werklieden verdiend zoude worden, reeds door het meegedeelde onhoudbaar gebleken. Van het inkomen van den werkman te spreken, heeft even veel of even weinig zin als te spreken van het inkomen van den koopman of den winkelier.

Terwijl voorts te bedenken is, gelijk ik aanstipte, dat de noodzakelijke uitgaven voor het eene gezin veel grooter dan voor het andere kunnen zijn.

Echter moet bij het inkomen van den werkman nog op

meer worden gelet. Zoo men alleen het uurloon weet, en al

is ook de gewone dagelijksche werktijd bekend, — dan kan

men toch nog moeilijk met zekerheid vaststellen, wat die

werkman verdient. Eenerzijds kan het groot verschil maken,

of hij het gansche jaar werk heeft, dan wel slechts een deel

daarvan. Aan den anderen kant, of hij al dan niet overwerk verricht.

•Maar ook zoude bekendheid met die factoren nog niet in staat stellen met zekerheid te bepalen welke inkomsten het gezin heeft.

Het is eene zeer gemakkelijke, maar daarom nog niet voldoende, methode om voor het berekenen van iemands inkomen alleen af te gaan op wat hij in eene bepaalde betrekking, in zekeren dienst ontvangt. Krijgt hij daarbuiten niets? Ook in hoogere kringen der maatschappij komt het immers zeer vaak voor, dat iemand nog andere verdiensten heeft dan alleen die van zijne eigenlijke betrekking. Zoo b.v. leeraars of onderwijzers, die privaat-lessen geven; boekhouders op een groot kantoor, die 's avonds de boeken van kleinere zaken bijhouden; anderen, die buiten hunne hoofdbetrekking nog inkomen hebben door de administratie voor eene vereeniging te voeren, enz..

Sluiten