Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hart soms ineenkrimpen van pijn, als hij hoort van het lot van sommige heidebewoners in Friesland, of door mededeelingen van liefdadige vereenigingen in de groote steden een tipje van den sluier ziet opgelicht, waarachter zoo bang lijden verborgen is? Hoeveel aangrijpends zoude men niet ervaren, reeds alleen door binnen te dringen in eenige gezinnen, uit welke de Haveloozen-school in de hoofdstad bevolkt wordt.

Ja, er is ellende, die de menschen beneden het meest gewone peil doet dalen. Er bestaat groote ellende, — en waarvan nochtans betrekkelijk weinig wordt gehoord. Die menschen zijn wel geen kiezer, —het is zoo; maar zij blijven toch mensch. Ook zij en hunne kinderen hebben eens, niet als onschuldige wichtjes, maar toch weinig bekend met het kwaad, het leven tegengelachen. Ja, wat meer is, zij hebben niet slechts een verleden, maar ook eene toekomst, eene eeuwigheid in het verschiet.

Ook de meest ellendige onder deze deerniswaardige wezens blijft mensch. Zeg, dat dit is het onder-proletariaat, de vijfde klasse, of de hoeveelste dan ook, — het is mij eenerlei. Door ze nog in eene klasse te rangschikken, spreekt men uit, dat ook zij een deel der menschheid zijn. Zij behooren bij ons; zijn onze natuurgenooten. Ja, tot de heuchelijkste verschijnselen van dezen tijd reken ik, dat meer en meer zelfs naar de diepstgezonkenen de hand wordt uitgestoken. De hand, die niet schroomt, of wèl schroomt, maar toch niet verzuimt, ook het vuilste aan te raken en te verzorgen. Wat nog iets anders is dan „Arbeiterfreundlichkeit", en het stemmen voor eene uitdeeling uit de openbare kas.

Ook weet ik wel, dat dergelijke jammer veelal de vrucht is, waarlijk niet van de maatschappij, maar van zonde, van kwaad, dat niet vergoelijkt, maar veroordeeld moet worden. Echter trekt waar medelijden zich niet terug, als het stuit

Sluiten