Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hunne zeer diepe armoede is overvloedig geweest tot den rijkdom hunner goeddadigheid.

En diezelfde genade was ook in Corinthe mogelijk. Zooals de Apostel in het volgende hoofdstuk zegt: „God is machtig alle genade te doen overvloedig zijn in u; opdat gij in alles te allen tijde, alle genoegzaamheid hebbende, tot alle goed werk overvloedig moogt zijn.

„Gelijk er geschreven is: Hij heeft gestrooid, hij heeft den den armen gegeven; zijne gerechtigheid blijft in der eeuwigheid."

Naar eisch van Gods Woord moet ieder trachten zoo te leven, dat er zelfs nog overschiet voor den arme.

En de ongeregelden vermaant hij in den tweeden brief aan de Thessalonicensen (hoofdst. 3: 12) „door onzen Heere Jezus christus, dat zij met stilheid werkende hun eigen brood eten."

Het eigen brood eten door werken.

Waarbij geldt: „als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd zijn." (1 Tim. 6:8) Tevredenheid ook bij een sober deel. Al sluit dit niet uit, dat het geoorloofd is naar verbetering te zoeken. Door werken.

Ijverig werken. Met bekwaamheid werken. Getromuheid in het werk. Dit blijven nog immer de plichten, aan het nakomen van welke ook in stoffelijk opzicht in den regel vruchten zijn verbonden. Alles wat de zedelijke werkkracht, de energie onder de mindergegoeden stevigt, is voor hen van groot belang.

Maar heeft de btaat voor het economisch leven, ook voor dat der werklieden niets te doen?

Ongetwijfeld. De Staat kan, en hij moet zelfs, schrijft Claudio Jannet ]), naar gelang van den tijd, zoeken de algemeene voorwaarden van het bestaan der menschen te

') T. a. p., 2de dr., bl. 7.

Sluiten