Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vermeerderd. „Nadat het totaal beschikbare mannelijk arbeidsvermogen uitgeput was, is dit millioen vrouwen noodig geweest om in de behoefte van de Duitsche volkshuishouding te voorzien." Dit nu moet vo gen uit meergenoemde tabel. Immers zijn in 1895 en in 1882 als rnanne ij e leden van gezinnen zonder beroep per 1000 personen geteld.

onder 20 jaar pl. m. 742 en 772 20—30 „ „ .. 24 „ 15

30—40 9 „ 6

40—50 „ „ .. 7 „ 6 50—60 „ •• .. 10 „ 14 60—70 „ „ „ 32 „ 68 70 jaar en ouder „ „ 106 „ 220 Beroepslooze mannen, derhalve, in den over het algemeen voor beroepsarbeid aangewezen leeftijd zijn er nog m'nder an een en honderd overgebleven (8 k 9 per mille tusschen 30 en 60 jaar). Ging, zeggen wij, de konklusie uit deze cijfers niet verder dan de bewering dat slechts een zeer klein deel van de manne,i va'f ^ nie^s doen, dan als gezinsleden (Familienangehörigen) een improduktief bestaan voeren, dan zou wel niemand haar kunnen betwisten. Dit eene percen mag men veilig, met Rauchberg, rekenen tot de invaheden ^Ue mannen die hoe dan ook bruikbaar zijn, hebben een beroep Zonder tw feL Dat bijna niemand zich bij den volksteller aanmeldt als volstrekt werkeloos, behoefden wij niet eerst van den volksteller te verneme . Maar volgt daaruit, dat de verdeeling van de personen over de beroepen juist zóó is als de personen zouden wenschen en als voor de beroepen wenschelijk zou zijn? - Neen: deze tabel, op welke Rauchberg steunt en die, naar zijn voorbeeld, part.jgenoote Braun gebruikt, bewijst niets ten aanzien van de manier waarop de ber°epen worden vervuld, niets omtrent bepaalde soorten van beroepen. Ze indien de cijfers betrekking hadden op de arbeidersklasse alleen zouden zij niet bewijzen wat ze bewijzen moeten. Dat er geen arbeiders als „beroepslooze gezinsleden" rondloopen - meer kan men toch zeke niet uit deze statistiek afleiden - was ons tamelijk bekend. Wij willen dit feit aanvaarden, maar ni*s anders dan dit feit. In verband gebracht met de vraag van konkurrentie tusschen vrouwen en mannen als loonarbeiders, wil het enkel zeggen dat weinig of geen mannen in volstrejkt zin door de vrouwen zijn verdrongen: zoodanig volstrekt en hopdoos verdrongen dat de mannen, wanneer het biljet van de beroePs* 9 komt, niets anders weten in te vullen dan het woord: :z<o,n<d.er AUeen indien dit het geval ware, zou het in deze tabel zijn ultSedru^ geworden. Maar: of arbeiders, vroeger in een fabriek werkzaam.

Sluiten