Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doen, ') maar zoodra zij kinderen voortgebracht heeft, is zij aan dezen gebonden. Daardoor ontstaat de eerste arbeidsverdeeling; de vrouw bouwt het beschermend dak voor haar en haar hulpeloozen zuigeling; in de huiden der dieren, die de man doodt, hult zij instinctief het kleine, koude schepsel en put daaruit het denkbeeld om ten slotte ook voor zichzelve een beschuttend en verwarmend kleedingstuk te verwerven. Zij moet, als de voedingsbron in haar borst opdroogt, den honger harer kinderen op andere wijze stillen, en zoo leert zij den maaltijd bereiden, terwijl zij niet alleen het vleesch van het wild en de visschen en vogels daarvoor bezigt, die haar man haar van de jacht meebrengt, maar zij gebruikt ook de knollen, zaden en vruchten die zij zelf vindt en bereikt ten slotte de vaardigheid om die voor het gebruik aan te planten. 2)

De vrouw werd steeds meer huisvast, en de man, wiens leven tusschen oorlog en jacht verdeeld was, beschouwde weldra haar hut als het toevluchtsoord, waar hij niet alleen terugkeerde tot vluchtige rust, en een onderdak, voeding en kleeding vond, maar waar hij ook zijn buit bewaren kon. Nog aantrekkelijker werd de hut voor den man en nog belangrijker de gebondenheid der vrouw, toen de menschheid het vuur leerde kennen en naar waarde schatten. Waarschijnlijk is het haar door de ontvlammingskracht van den bliksem bekend geworden en het werd als een heiligdom — een waar geschenk des hemels — bewaard, wijl de vaardigheid om het zelf te doen ontstaan, eerst in veel later tijd verworven werd. De natuurlijke bewaakster en bewaarster van het vuur was de vrouw. 3) En zoo was het niet de hem zoo vaak toegedichte familiezin of de liefde tot vrouw en kind gevoelens die alleen de produkten eener hoogere cultuur kunnen zijn — maar slechts de ruwe physische behoeften die den oermensch steeds weer terugvoerden naar den huiselijken haard.

Van een huwelijk in onzen zin was natuurlijk geen sprake; op het ongeregeld geslachtsverkeer volgde de zoogenaamde bloedgemeenschapsfamilie waarin de afzonderlijke generaties zich niet meer met elkaar vermengden. Bij de geringe numerieke uitgebreidheid die de menschheid oorspronkelijk moet gehad hebben, spreekt de vermenging van bloedverwanten ter bevrediging der geslachtsdrift van zelf. Evenzoo spreekt het echter ook van zelf dat deze vorm van gezin niet op welke

1) Zie Havelock Ellis, Mann und Weib. Leipzig 1894, bl. 2 en vlgg. [De schrijfster citeert deze en andere boeken naar de duitsche vertaling. Wij hebben gemeend hierin geen wijziging te moeten brengen. Vert.]

2) Zie Bücher, t. a. p., bl. 14 en 37.

3) Zie Julius Lippert, t. a. p., deel I, bl. 251 en vlgg., en deel II, bi. 28.

Sluiten