Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorschriften ook berustte, maar zich veeleer van zelf ontbond, zoodra zii door haar grootte in het bereik van den moederlijken haard noch ruimte, noch toereikend voedsel vond. De taak der bloedgemeenschapsfamilie en het ontstaan der zwagerschapsbonden (Punaluafamilie, volgens Morqan) is niet te herleiden tot een hooger zedelijk begrip, maar tot de overoude drijfkrachten der natuur: honger en liefde. Daaruit ontstonden de zeden en uit de zeden de moraal van eiken tijd.

Ook de nieuwe gezinsvorm kende het huwelijk niet. De man van den eenen stam die zich met de vrouw van den andere verbond, huwde om zoo te zeggen mede al haar zusters; het begrip van kuischheid en echtelijke trouw was beiden geslachten vreemd. Dientengevolge deed de vader geen recht op de kinderen gelden, zij behoorden uitsluitend de moeder die ze gebaard had toe en haar starn^ De man voerde de vrouw niet als zijn persoonlijk eigendom in zijn huis, maar hij kwam in het hare. Zooals wij gezien hebben, is deze rechtstoestand die ten tijde van de bloedgemeenschaps- zoowel als van de Punaluafamilie de heerschende was, niet op rekening te stellen van een hooge moreele waardeering der vrouw, maar op het oorspronkelijk verschil der geslachten en op economische oorzaken; het had ook geen machtspositie der vrouw ten gevolge, maar legde veeleer den grond tot de

I vaststaande meening dat het arbeidsveld der vrouw alleen tot het huis

i~4e beperken is. ,,

Met de ontwikkeling van het handwerk in zijn verschillende takken,

met het toenemend bebouwen van den grond — louter soorten van arbeid die in het bereik van het oorspronkelijk huishouden lagen, en daardoor hoofdzakelijk aan de vrouw ten deel vielen — werd de vrouw steeds onontbeerlijker voor den man. Hij zelf was, hoe dichter de aarde bevolkt werd, steeds meer in oorlog gewikkeld met de naburen of met de volksstammen door wier land hij als nomade trok. In den eersten tijd waren het alleen oorlogen om het dagelijksch voedsel, om den iachtqrond; toen hij echter de kunst leerde om de dieren niet alleen te dooden, maar te temmen en te fokken, voerde hij oorlog om de bescherming en de vergrooting van zijn bezit. In vroegere perioden, toen hij niets bezat dan wat hij dagelijks gebruikte, had hij den gevangen vijand of gedood of als gelijke en vrije in bloedvriendschap opgenomen; thans, nu hij meer bezat dan hij gebruikte, had hij arbeidskrachten noodig in zijn dienst, derhalve maakte hij den vijand tot zijn ondergeschikte. Zoo ontwikkelde zich als onmiddellijk gevolg van het ontstaan van het privaat bezit, de slavernij. Maar eer nog de eerste \ slaaf zich buigen moest onder den knoet zijns meesters, was de vrouw, de moeder zijner kinderen, de eerste slavin geworden.

Sluiten