Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoogst staanden van hun tijd — waren van vérstrekkende beteekenis. Wel heeft de kerk zich in hen een leger van opofferende strijders geschapen die door geenerlei familiebelangen van hun plichten jegens haar afgeleid werden, maar als zij meende door de verheerlijking der kuischheid, door de gedwongen uitdooving van den geslachtsdrift in den dienst eener hoogere zedelijkheid te handelen, dan had zij slechts met abstracte theorieën, niet echter met de levende natuur rekening gehouden. Zij bereikte niet alleen het tegendeel van wat zij beoogde, want naast het buiten-echtelijk geslachtsverkeer en het snel toenemen der prostitutie tierden in 't bizonder in de kloosters de tegennatuurlijke ondeugden, — zij bracht ook het gansche zedelijke leven des volks een schade toe waaraan het nog heden lijdt en waardoor het vrouwelijk geslacht het meest getroffen wordt. Zij degradeerde de meest natuurlijke verhoudingen der geslachten tot elkander en trachtte die te bedekken als iets waarvoor de mensch zich schamen moet; de echt was voor haar in de eerste plaats een „vereeniging der zielen," zelfs de geslachtsliefde in den echt gold als zondig of in het beste geval als een schatting die de mensch aan zijn zedelijke zwakheid, zijn vervreemding van God brengen moest. ') De uiterlijke heiliging van het huwelijk door haar tot sacrament te verheffen en haar onontbindbaar te verklaren, is niet in staat geweest de innerlijke verwoesting, waaraan de diepste verhouding der menschen tot elkaar door de kerk blootgesteld werd, tegen te houden. Huichelarij, preutschheid, onderdrukking der beste gevoelens door een valsche moraliteit zijn daarvan de gevolgen en een groot gedeelte van den psychologischen en zedelijken kant der vrouwenkwestie is te herleiden tot de door de roomsche kerk aan het volksbewustzijn ingeënte meening omtrent liefde en echt.

Maar ook in een andere richting werd het ontstaan der vrouwenkwestie door de kerk beïnvloed; tegenover het groeiend aantal der echtelooze geestelijken en monniken, stond een gelijk aantal ongehuwde vrouwen. De stichting der nonnenkloosters was daarvan een noodwendig gevolg. In menigten stroomden de vrouwen naar die beschermende muren. Er bleef haar alleen de keus tusschen het klooster en het vrouwenhuis en indien ook velen alleen voeding en onderdak zochten, werd toch ook het aantal steeds grooter van haar die bij de verdrukkingen van het ruwe leven en de wereld daarbuiten haakten naar een verblijf van vredigen arbeid en geestelijke overpeinzing. In de kloosters viel den vrouwen een in vergelijking met de algemeene ontwikkeling

1) Zie hierover het voor de opvatting der vrouwenkwestie bij de katholieke kerk hoogst belangwekkende boek van den Redemptoristenpater A. Rössler: Die Frauenfrage, Wien 1893.

Sluiten