Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Engeland en Schotland de eerste spinnerijen, en in 1788 waren daar reeds 142 fabrieken, waarin niet minder dan 59000 vrouwen en 48000 kinderen arbeidden. ') Groote vooruitgang valt intusschen eveneens te vermelden van de machinale weverij. De door Vaucanson uitgevonden, door Cartwight verbeterde en praktisch bruikbaar gemaakte weefmachine,

trad naast den buitengewoon geperfectionneerden weefstoel in werking, en het waren ook hier vrouwen die in de eerste plaats tot hun bediening gebruikt werden. Tusschen 1762 en 1765 waren in Frankrijk, hoofdzakelijk in St. Quentin, 60000 weefsters alleen met het weven van linon, batist en tulle werkzaam. 2)

De gevolgen van een dergelijke industrieele ontwikkeling moesten voor het vrouwelijk geslacht van zeer groot belang zijn. Iedere nieuwa machine, die den arbeid van zoo vele handenarbeidsters verrichtte, maakte er velen broodeloos of verzwaarde haar huisindustrieele werkzaamheid en drukte haar loon. Zij ontrukte echter ook den vrouwen die takken van arbeid die tot dusver bijna uitsluitend voor haar bewaard gebleven waren, als het spinnen en weven, daar zij mannen en kinderen eveneens aan den arbeid zette en den concurrentiestrijd heftiger dan / ooit ontbranden deed. En eindelijk greep zij ontbindend en verstrooiend in den eens zoo vredigen huiselijken kring in. In het leven der vrouw gaapte van nu af een vreeselijke klove: de bittere nood dwong haar de fabriek in, waar zij aan uitbuiting onbeschermd prijsgegeven was, de moederliefde en de van oudsher eerwaardige huisvrouwenplichten ketenden haar aan haar huis.

De maatschappij stond radeloos tegenover al deze uit den economischen vooruitgang opgroeiende, diep in het volksleven ingrijpende vraagstukken. Met onbekwame handen trachtte men enkele knoopen te ontwarren, doch slechts om steeds nieuwe te leggen. Door onderdrukking der gevaarlijke concurrentie van goedkoope vrouwelijke arbeidskracht zou de nood tot een einde gebracht, het gezinsleven weer hersteld ^ worden. Zoo werd den kantwerksters in Toulouse, op grond dat men haar weer aan haar vrouwenplichten teruggeven wilde, reeds in 1640 de arbeid verboden; in Saksen bepaalde een wet dat boerenmeiden geen ander beroep dan dat van huisdienstboden mochten aanvatten; in de Oberlausitz evenals in Hannover werden de „eigenkamer-bewoonsters," die zich niet verhuren wilden, met hooge belastingen gestraft. 3) Uit het

1) Zie PierstorfT, Frauenarbeid und Frauenfrage, 3de deel van het Handwörterbuch der Staatswissenscbaften. Jena 1893, blz. 643.

2) Zie Levasseur, Histoire des classes ouvrières en France depuii 1889, 1ste deel. Parijs 1867, blz. 7.

3) Zie Norr«nberg, t. a. p., blz. 93.

Sluiten