Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de scharen der hongerende werkeloozen groeiden schrikwekkend aan.

Twintig jaren voor het uitbreken der Omwenteling telde men 50.000 bedelaars in Frankrijk; ofschoon op de bedelarij drie jaren galeistraf stond, wies het aantal der bedelaars in de volgende tien jaren tot 112 millioen; ') in Lyon, de hoofdzetel der zijde-industrie, moesten, omstreeks 1787 30.000 arbeiders van aalmoezen bestaan; in Parijs \ bevonden zich op 680.000 inwoners 116.000 bedelaars. 2) Vaak werden de vrouwen onder hen jaren lang in enge, vuile werkhuizen gehuisvest, waar de ijselijkste ziekten steeds heerschten en men de armen, alsof zij door hun eigen ongeluk niet genoeg gegeeseld werden, met zweepslagen tuchtigde. 3) De grootste nood heerschte echter in de parijsche proletariërswijken van St. Antoine en van den Temple. Hier schoot met de ellende de haat op en zij richtte zich niet alleen tegen het absolutisme, de feodale heerschappij en het kerk-regime, zooals de haat der bourgeoisie, maar in verhoogde mate tegen de uitbuiters en graanwoekeraars, die den politiek rechtloozen ook nog het dagelijksch brood ontstalen of het door bedorven meel vergiftigden, zoodat scheurbuik en buikloop in 't bizonder de kinderen in grooten getale wegrukten. 4) Hier was de haard dier vreeselijke epidemie, de prostitutie, die ontzettende afmetingen aannam. Pater Havel schatte in 1784 het aantal prostituees Parijs op 70.000! 5) Maar hieruit stamden ook die vrouwen die zonder van de menschenrechten en de filosofische redetoernooien iets te begrijpen, in den gang der Omwenteling richtend zouden ingrijpen, wijl de geweldigste drijfkrachten der natuur, honger en liefde — liefde tot de jammerende, onschuldige erven harer ellende — haar in den strijd joegen. De vrouwen der bourgeoisie schenen voor 1789 tegenover het lijden en de eischen der vrouwen van het arbeidende volk met blindheid geslagen; zij dweepten met vrijheid en gelijkheid, met een vreedzaam leven in de natuur, met broederlijkheid en soms met gelijkheid van rechten voor haar geslacht met betrekking tot ontwikkeling en politieke rechten; maar zij waren, als de geheele bourgeoisie van dat tijdperk, er verre van, de klove die haar van het proletariaat scheidde te overschrijden of ook slechts te overzien. Zelfs de mémoires der meest beteekenenden onder haar bevatten geen schildering, ja zelfs geen korte vermelding van de ellende harer armste geslachtsgenooten. Hoe

1) Zie Louis Blanc, Histoire de la révolution fran^aise. Paris 1847, 1ste deel, blz. 498.

2) Zie K. Kautsky, Die KlassengegensStze von 1789. Stuttgart 1889, blz. 60.

3) Zie Louis Blanc, t. a. p., blz. 489.

4) Zie H. et J. de Goncourt, Histoire de la société fran<;aise pendant la révolution. Paris 1864, blz. 55 en vlgg.

5) T. a. p., blz. 227.

Sluiten