Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zwitserland, dat het eerst vrouwen tot de studie aan de universiteit toeliet, is haar welgezindheid jegens de vrouwen sinds dien getrouw gebleven. In de eerste plaats getuigt daarvan de toenemende plaatsing

Voor nederlandsche lezers vereischt het beknopt bericht van Lily Braun over de hollandsche vrouwenbeweging een kleine rectificatie en eenige aanvulling. Dr. Catharine van Tussenbroek kwam wel in 1898 volgens de toenmalige courantenberichten in aanmerking voor een professoraat in de gynaecologie in Utrecht, doch werd niet benoemd. Sedert Lily Braun dit gedeelte van haar boek schreef, zijn nog twee andere adjunct-inspectrices aangesteld, zoodat er nu drie werkzaam zijn.

Voor revolutionnaire stormen gelijk zij in Frankrijk, nauw verwant met de politieke geschiedenis van dat land, had te doorstaan, bleef de vrouwenbeweging ten onzent gevrijwaard, al vertoonde zij ook af en toe een zeer roerigen en rumoerigen kant. Ongeveer veertig jaar geleden begon de vrouwenkwestie in ons land meer de aandacht te vragen, na de terugkomst van Mevr. de Wed. Storm van der Chijs van een verblijf in Amerika (1865). Zij had gezien, hoe krachtig daar reeds de beweging zich had uitgebreid. Opvoeding en onderwijs voor meisjes waren de onderwerpen van den dag. Geschriften over de vraag: of uitbreiding van de werkzaamheid der vrouw gewenscht was, over den werkkring der vrouw, over haar dubbele roeping (bekende prijsvraag van Elise van Calcar) volgden elkander snel op en de „emancipatie" der vrouw werd met geduchte reclame door enkele spreeksters met den overijver, die elke jeugd kenmerkt, in het openbaar verdedigd. John Stuart Mill's „Slavernij der Vrouw" had ook hier ingeslagen. Het recht op een werkkring en degelijk onderwijs voor de vrouw waren de leuzen uit deze periode. „Arbeid Adelt" en „Tesselschade" werden opgericht, de beide vereenigingen die ten doel hadden werk te verschaffen aan de „onvermogende beschaafde vrouw." In dienzelfden tijd (1871) begon Aletta Jacobs haar studie in de medicijnen aan de universiteit te Groningen.

In aldoor wijderen kring wonnen de vrijzinniger ideeën over de vrouw en haar rechten veld, in wetenschappelijke geschriften werd gewezen op den, vooral voor de gehuwde vrouw, onhoudbaren rechtstoestand krachtens de bepalingen van ons Burgerlijk Wetboek. Een nieuwen krachtigen stoot ontving de beweging met de stichting van de Vrije Vrouwenvereeniging in 1889. Het uitgestrooide zaad begon te ontkiemen en welig in de hoogte te schieten. In stad en land verrezen vereenigingen, die alle op hetzelfde doel aansturen : vereenigingen tot verovering van het vrouwenkiesrecht, ter behartiging van de belangen der vrouw, ter verbetering van haar maatschappelijken en rechtstoestand, tot uitbreiding van haar werkkring enz. De Tentoonstelling van Vrouwenarbeid met haar rijke reeks van congressen (1898) was de sterkst sprekende betooging van het willen der zich haar afhankelijkheid bewust geworden nederlandsche vrouwen, in grootere schare. In het aan de Tentoonstelling voorafgaande jaar en de eerstvolgende maanden maakte het den indruk, of voor Nederland het vrouwenvraagstuk niet één der ernstigste kwestiên, maar hèt belangrijkste probleem van onzen tijd was; in geleerde disputen bepleitten of bestreden wetenschappelijke mannen, in tal van vlugschriften schrijvers en schrijfsters van meer of minder naam de geschiktheid van de vrouw voor de studie en de rechtmatigheid harer eischen.

Een tijd van merkbare ontspanning volgde evenwel. De erfenis der Tentoonstelling werd aanvaard door de Nationale Vereeniging van Vrouwenarbeid. Deze stelt zich ten doel uitbreiding te bevorderen van den werkkring der vrouw in Nederland en zijn koloniën en het opgerichte Arbeidsbureau zal „de verzamelplaats en het uitgangspunt zijn van alles, wat tot navraag, onderzoek, voorlichting en hulp kan strekken" ter bereiking van dit doel.

Sluiten