Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vermeerderd wordt doordat de beroepsarbeid en de belangstelling in de politiek den man steeds meer uit het huis voeren. Over deze dingen mag men denken zoo men wil, men mag er zich welwillend of vijandelijk tegenover verhouden, — te ontkennen vallen zij niet, en hierop berust een verdere vooruitgang der vrouwenbeweging naast een onvermijdelijke verdere ontbinding van het traditioneel gezinsleven. De nietsdoende echtgenooten en moeders hebben de keus, haren tijd met vermaken te dooden of met nuttig werk te vullen. De besten onder haar zoeken naar arbeid. In de eerste plaats vinden zij dien in weldadigheidsvereenigingen; met het groeiend inzicht ontwikkelt zich dan uit het vaak zeer schadelijk weldoen een ernstiger sociale arbeid, die ten slotte tot den wensch naar een geregelde beroepsbezigheid voert. Zoo kan met recht gezegd worden dat de vrouwenbeweging niet, zooals Eduard von Hartmann beweert, met de oplossing der oudejongejuffrouwenkwestie uit de wereld geholpen zou zijn, dat veeleer de strijd om arbeid, ook van de getrouwde vrouwen der bourgeoisie, die zich eerst in zijn aanvang bevindt, haar een zeer langen duur verzekert, des te langer, daar de stijgende wanverhouding tusschen behoeften en inkomsten haar reeds begint te noodzaken, voor een kostwinning te werken.

Het is gebleken, dat het toenemen der op zichzelf staande vrouwen, het afnemen van het huwelijkscijfer en de economische nood in alle landen als oorzaken der vrouwenbeweging te beschouwen zijn. Gelijke oorzaken zullen noodwendig gelijke gevolgen teweegbrengen. Het vooruitdringen der vrouw op alle arbeidsvelden hebben wij uit het geschiedkundig overzicht van haren strijd om arbeid leeren kennen. Het komt er nu op aan, vast te stellen, in welk tempo dit geschiedt en hoe zich dit tempo verhoudt in vergelijking tot den mannenarbeid. Laten wij voorloopig de onderscheiding in burgerlijken en proletarischen arbeid ter zijde, dan krijgen wij voor de hierna genoemde staten de volgende verhouding van de in een beroep werkzame bevolking tot de gezamenlijke bevolking:

(Zie de eerste tabel op blz. 163.)

Het toenemen van den mannen- en van den vrouwenarbeid voor het tijdsverloop van 1880 tot 1890 geeft de volgende tabel aan:

(Zie de tweede tabel op blz. 163.)

Beschouwen wij het vraagstuk ook nog van een anderen kant, door vast te stellen, hoe zich het aantal der vrouwen die een beroep uitoefenen tot dat der mannen in gelijke tellingsperioden verhoudt, dan komen wij tot het volgend resultaat:

(Zie de derde tabel op blz. 163.)

Sluiten