Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij het beschouwen der drie voorafgaande tabellen zijn deze gevolgtrekkingen te maken: De eerste tabel toont aan dat de vrouwenarbeid in verhouding tot de gezamenlijke vrouwelijke bevolking gemiddeld met 2,86 pCt., de mannenarbeid daarentegen met 2,39 pCt. toegenomen is. Beschouwen wij deze tabel nader dan blijkt het evenwel, dat het percentsgewijze toenemen van den vrouwenarbeid hoofdzakelijk aan Oostenrijk toe te schrijven is, waar de vrouwelijke beroepsbezigheid met 9,76 pCt. toegenomen zou zijn, terwijl het overeenkomstig cijfer voor Amerika — dat de snelste vermeerdering van den vrouwenarbeid aanwijst — 2.07 pCt., voor Engeland 1,34 pCt., voor Frankrijk 0,19 pCt. en voor Duitschland 0.92 pCt. is. Daar voor deze abnormaal groote vermeerdering van den Oostenrijkschen vrouwenarbeid, die wij elders ook ontmoeten zullen, geenerlei bizondere economische oorzaken te vinden zijn, moeten wij aannemen, dat of ,de telling van 1880 niet alle vrouwen die een beroep uitoefenden omvat heeft, of die van 1890 belangrijke fouten bevat, hetzij in de telling, hetzij in de berekening. Laten wij dus, om een juister gemiddeld cijfer te verkrijgen, Oostenrijk hier buiten aanmerking, dan blijkt het toenemen van den vrouwenarbeid in verhouding tot de gezamenlijke vrouwelijke bevolking 1,13 pCt. en het toenemen van den mannenarbeid 2,11 pCt. te zijn. Deze uitkomst, die den tegenstander van de beroepsbezigheid der vrouw zeker zeer geruststellen kan, is nochtans voornamelijk aan het groot teveel aan vrouwen toe te schrijven. Als bewijs daarvoor dient Amerika, welks vrouwelijke bevolking in aantal bij de mannelijke achterblijft en waar de vrouwen die een beroep uitoefenen in verhouding tot de mannelijke bevolking met 2,07 pCt., de mannen daarentegen slechts met 0,91 pCt. toegenomen zijn.

Een helder beeld van het toenemen van den vrouwenarbeid verkrijgen wij uit de tweede tabel. Met uitzondering van Frankrijk, welks eigenaardig beeld in den toestand der bevolking zijn oorzaak heeft en welks bizonder langzaam toenemen van den vrouwenarbeid wellicht aan den grooteren welstand der bevolking toe te schrijven valt — indien niet de onvolkomenheid der telling er gedeeltelijk de schuld van draagt — blijkt, dat de beroepsbezigheid van het vrouwelijk geslacht in de genoemée landen in veel sneller tempo toeneemt, dan die van het mannelijk geslacht. Vergelijken wij haar met den groei der bevolking, dan blijkt dat, terwijl de mannelijke bevolking gemiddeld met 13,77 pCt. steeg, het aantal mannen die een beroep uitoefenen met 15,18 pCt. toenam, de vrouwelijke bevolking met 13,46 pCt. en het aantal vrouwen dat een beroep uitoefende met 23,62 pCt. gestegen zijn. Uit deze cijfers spreekt duidelijk de nood, waaronder het vrouwelijk geslacht te lijden heeft en : die het in scharen in den strijd om arbeid drijft. Een nog scherper

Sluiten