Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat de mannen in gelijke betrekkingen in den regel verdienen. ') Inkomens van 20—30 Mk. per maand behooren, in het bizonder in de provincie, niet tot de zeldzaamheden en staan in schrille tegenstelling met de bewering, dat een jaarlijksch inkomen van 1000—1200 Mk. voor de handelsbedienden een bestaansminimum uitmaakt. Volgens de opgaven van een aantal berlijnsche handelsbedienden, die geheel op eigen verdiensten aangewezen zijn, maken haar uitgaven voor woning en voeding — dus zonder kleeding, wasch, extra-uitgaven, zooals omnibusgeld en dergelijke, om van ontspanning geheel te zwijgen — omstreeks 51 Mk. per maand uit, daarbij schommelen van 28 pCt. dezer vrouwen de inkomsten tusschen 30 en 70 Mk. 2) Voor Oostenrijk worden de inkomens der vrouwelijke handelsbedienden aldus berekend: 60 pCt. hebben een salaris van 10—25 gulden, 20 pCt. van 30 35 gulden, 10 pCt. van 40—45 gulden, 5 pCt. van 50—60 gulden en 5 pCt. zijn verdeeld over nog hoogere inkomens. In weerwil van dit jammerlijk loon verdringen zich de meisjes om het handelsberoep; zoo moest bijv. een der kostelooze vakscholen van 600 sollicitanten er 292 afwijzen. 3) De mannelijke kantoorbedienden plegen een aanvangssalaris van 35—40 gulden te behalen en bevinden zich na langeren diensttijd in onevenredig gunstiger toestand dan de vrouwen. De vrouwelijke spoorwegbeambten genieten een jaarwedde van 360 600 gulden, slechts zeer weinigen bereiken een salaris van 840 gulden. 4) Dergelijke toestanden vindt men bij de vrouwelijke telegraafbeambten. Zij beginnen met een loon van 30 gulden per maand, dat alle vijf jaren met 5 gulden stijgt, tot zij het maximum van 50 gulden bereikt hebben. Bijna de helft der beambten geniet tegenwoordig het laagste inkomen en terwijl de salarissen der mannelijke beambten, van wie geen hoogere ontwikkeling en geen andere werkzaamheden verlangd worden dan van het vrouwelijk personeel, herhaaldelijk verbetering erlangden, zijn zij in de omstreeks dertig jaren, dat de staat vrouwen te werk stelt, voor de vrouwen onveranderd gebleven. De pensioenen, die alleen bij volkomen ongeschiktheid voor den dienst verstrekt worden, komen met het salaris overeen: na dertig jaren dienst, den langsten diensttijd die volgens de ervaring bereikt wordt, moeten zij het met 30 gulden 's maands stellen. 5)

1) Zie J. Silbermann, t. a. p., bldz. 408.

2) Zie Juiius Meyer, Die Ausbildung und Stellung der Handlungsgehilfinnen in Berlin. Berlin, Heines Verlag, blz. 18.

3) Zie Dokumente der Frauen. Uitgegeven door Marie Lang. Weenen, 2de deel No. 22, Febr. 1900, blz. 625 en vlgg.

4) T. a. p., 2e deel, No. 18, December 1899, blz. 475 en vlgg.

5) T. a. p., 2de deel, No. 17, November 1899, blz. 443 en vlgg.

Sluiten