Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan den man volkomen vreemde functie betreft, waarvan zij dus volstrekt niet in staat zijn de gevolgen te beoordeelen. Wanneer artsen bij de tegenwoordige vrouwen gedurende den tijd der menstruatie ziekelijke verschijnselen, een vermindering van krachten of de ongeschiktheid om vermoeienis te doorstaan, opmerken, dan moesten zij daarin niets anders zien dan de gevolgen van ongezonde kleeding en levenswijze, zij moesten zich wel wachten deze verschijnselen als natuurlijke te verklaren. ') Hierover moest het eindoordeel alleen der vrouwen toekomen en dan zou blijken dat de gezonden onder haar van een invloed der menstruatie f op haar lichaams- of geesteskrachten in 't geheel niets bespeuren, menigeen zich zelfs gedurende dien tijd in een bizonderen welstand verheugt. De zieken echter zijn er niet beter en niet slechter aan toe dan de ziekelijke mannen, die helaas ook niet tot de zeldzaamheden behooren. Onder gunstige arbeidsvoorwaarden — en deze zijn toch voor allen, zonder onderscheid van geslacht, een noodzakelijkheid — kunnen derhalve vrouwen trots de menstruatie zonder nadeelige gevolgen haar beroep uitoefenen. Zelfs wanneer zij zich nu en dan niet geheel in orde bevinden, dan kan dat toch evenmin een reden zijn, om haar met geweld den toegang tot een broodwinning te sluiten, als het een reden zou zijn om de mannen van den arbeid terug te houden, daar zij soms verkouden zijn of aan rheumatiek lijden.

Het voorwendsel daartoe levert voor velen ook de omstandigheid dat de voorbereiding tot het beroep, de studie en de daaraan verbonden noodzakelijkheid om lang in een meestal gebukte houding te zitten, voor de lichaamsconstitutie van de vrouw bizonder schadelijk zou zijn. 2) ^Dat stemmen wij volkomen toe. Het is maar de vraag of het traditioneele leven der dochters van burgerlijke ouders gedurende de in aanmerking komende jaren, het gebogen zitten over zenuwverwoestende romans en geestelijk verstompende handwerkjes, het urenlang 's nachts dansen in oververhitte zalen zooveel beter is voor de gezondheid, en of de uitwerking der tegenwoordige soort van gymnasiale en academische opvoeding niet op de mannelijke jeugd even bedroevend is. Is dit het geval — en daaraan zullen helderzienden nauwelijks twijfelen — dan moest het resultaat alleen zijn gezonder vormen van opleiding voor allen te scheppen, en de met de geestelijke overlading hand in hand gaande lichamelijke verwaarloozing kort en goed over boord te werpen,

1) Zie b.v. in Arthur Kirchhoff's „Die akademische Frau," t. a. p., blz. 112 en 120, waar de professoren Kehrer en Olshausen spreken van de „maandelijks weerkeerende beperking der geestelijke en lichamelijke geschiktheid tot werken," als iets dat vanzelf spreekt.

2) T. a. p., blz. 4, 33 en 91.

Sluiten