Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

v. Droste-Hülshoff, Elisabeth Barrett-Browning, Ada Negri, bereiken ook niet in de verte de hoogte der klassieken; in het treurspel staan de vrouwen ongetwijfeld beneden het gemiddelde der mannelijke dichters. Haar groote neiging tot de muziek heeft nog niet één componiste te voorschijn gebracht, die zich met mannelijke tweede- en derde-rangscomponisten zou kunnen meten en geen der beroemde schilderessen kan er aanspraak op maken, iets meer dan degelijk werk geleverd te hebben, gezwegen nog van het aanwijzen van nieuwe banen. Gaan wij tot andere arbeidsvelden over, waarop geniale uitvindingsgeest tot uiting komen kan, dan blijft toch de indruk dezelfde: De vrouwen kunnen ook in den kring der nabijliggende belangen, zooals in de kookkunst, de wasscherij en de kleedermakerij, niet op grooten hervormingsarbeid wijzen, hoewel er een geheele reeks van vrouwen is die allerlei z«er nuttige uitvindingen deden. Bij dit alles is men vaak tot de slotsom gekomen, dat de geniale begaafdheid der vrouw geen productieve, maar een reproductieve zou zijn, dat er meer groote tooneelspeelsters dan -spelers, meer veelbeteekenende vrouwelijke dan mannelijke virtuozen zijn. Ik geloof dat hierover moeilijk een beslissend oordeel kan uitgesproken worden en dat dit slechts met betrekking tot de tooneelspeelsters ten gunste der vrouwen zou kunnen uitvallen. Ik ben veeleer overtuigd, dat de genialiteit der vrouw bestemd is om zich op een geheel ander gebied te uiten, op een gebied dat zich thans eerst voor de menschheid ontsluit.

Wij hebben gezien, dat de beroepen'waaraan de vrouwen de voorkeur geven — dat van opvoedster en schoolinspectrice, van verpleegster en arts, van armverzorgster en inspectrice van den arbeid, van handels- en kantoorbediende —, met het moederlijk gevoel van haar wezen overeenkomen, en wij kunnen, trots een niet al te lange ervaring, toch reeds thans constateeren dat zij zich in de door haar gekozen beroepen zeer bizonder onderscheiden. Wij weten verder dat bijna alle weldadigheid, ook op de grootst mogelijke leest geschoeid, bijna uitsluitend aan de vrouwen haar ontstaan en haar ontwikkeling te danken heeft, dat zij overal in toenemende mate deel nemen aan alles wat onder het begrip van sociale hervorming valt en als agitators niet minder dan als geleerden hieraan haar beste krachten geven. Terwijl zij in 't algemeen aan het traditioneele plachten te hangen en de moeilijke positie der voorhoede steeds den mannen overlieten, wenden zij zich thans met verrassend inzicht en zeldzame geestkracht tot de jongste der wetenschappen, de sociale wetenschap, en strijden er voor om in het bestek daarvan tot practischen arbeid te komen. Zij zien een onmetelijk veld voor zich, waarvan het bewerken

Sluiten