Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de grofste beleedigingen. Het kwam vaak voor dat zij door achterdeurtjes in de werkplaatsen moesten sluipen, om er binnen te kunnen komen. Wat in Engeland, waar de industrieele ontwikkeling snel was, bizonder kras aan het licht trad, dat herhaalde zich, hoewel ook in zwakkeren vorm, op het vasteland. Overal beschouwden de mannen hun vrouwelijke medearbeiders met haat en wantrouwen en trachtten zich van haar te ontdoen. De duitsche handwerksliedenbeweging van den tijd der omwenteling leidde op verschillende plaatsen van het land zelfs tot kleine oproeren tegen de vrouwen, en het berlijnsche kleermakersgilde ging zoo ver, om aan het ministerie van nijverheid te verzoeken, dat den vrouwen, met uitzondering van de weduwen van meesterkleermakers, het kleermakershandwerk verboden zou worden en de modemagazijnen niet meer gemaakte dameskleeren zouden mogen verkoopen. ') Hetzelfde gevoel dat het gilde tot dit verzoek dreef, beheerschte ook het frankforter handwerksliedenparlement van 1848, toen het stellige wetten tegen het fabrieksstelsel, waardoor de groote markt voor den vrouwenarbeid voorbereid werd, vorderde.

Men heeft vaak getracht den verbitterden strijd der mannen tegen den vrouwenarbeid hun tot een persoonlijk verwijt te maken, een poging die slechts te verklaren valt uit een volkomen onbekendheid met de economische en sociale ontwikkelingsgeschiedenis. Feitelijk was en is gedeeltelijk heden nog deze strijd een noodwendig met die ontwikkeling verbonden verschijnsel. Wilde men al een verwijt doen hooren, — wat tegenover algemeene verschijnselen van het economisch leven altijd dwaas is, — dan moest het veeleer tot de vrouwen gericht worden. Niet omdat zij arbeidden, dat was een bittere noodzakelijkheid voor haar, maar omdat zij mannelijke concurrenten, in plaats van door beter werk, door geringer aanspraken trachtten te overwinnen. Uit de vereenzelviging van het eigen tehuis, dat zij vroeger grootendeels ook dan niet behoefden te verlaten wanneer zij voor loon werkten, traden zij onvoorbereid in het gemeenschapsleven der industriearbeiders. Zij dachten slechts aan het bevredigen der eerste persoonlijke behoeften, die buitengewoon gering waren; de eeuwenlange verdrukking van het vrouwelijk geslacht, de onophoudelijke prediking van deemoed en bescheidenheid, het eeuwig spreken van de minderwaardigheid der vrouwen, waaraan zij ten slotte S zeiven geloofden, wreekten zich nu op de mannen; de vrouwelijke f arbeiders waren met loonen tevreden die haar niets dan een stuJiX brood waarborgden; als slaven opgevoed, hadden zij niets meer

') Zie Schriften des Vereins für Sozialpolitik. LXV. Untersuchungen über die Lage des Handwerks. 4de deel, 2de afdeeling, 1895, blz. 120.

Sluiten