Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verbetering van oude machines nu volstrekt geen stijging der loonen ten gevolge had, maar het ontslaan van arbeiders slechts den kapitalist ten goede kwam, moest de overtollig geworden menschelijke arbeidskracht naar andere arbeidsvelden uitzien. Zij vond ze daar waar ook de handwerker zijn laatste ellendig toevluchtsoord vond, in de huisindustrie.

Het is geen vaststaand begrip dat met dien naam is verbonden. De du.tsche rijksstatistiek die zich in haar beide laatste beroepstellingen grondig met de huisindustrie bezighield, verstaat daaronder „het werken in huis voor rekening van anderen." Deze omschrijving is voor velerlei uitleg vatbaar, zij kan b.v. alleen de thuisarbeiders, d. w. z. hen die in hun eigen woning voor de ondernemers werkzaam zijn, omvatten en de werkplaatsarbeiders uitsluiten. Dat geschiedt uitdrukkelijk door de jongste belgische statistiek, die als huisindustrieelen alleen diegenen beschouwt, „die bij zich thuis voor rekening van fabrikanten of kooplieden arbeiden." Het oostenrijksche ministerie van handel heeft evenzoo het begrip der huisindustrie daartoe beperkt, doordat het „beroepsarbeiders in eigen werkplaats zonder industrieel hulppersoneel", hoogstens met hen die tot het eigen gezin behooren, daaronder begrepen wil hebben. Ook de geleerden zijn van verschillende meening: zoo wordt b.v. aan den eenen kant de huisindustrie als afzet in het groot van waren die in kleinbedrijven vervaardigd worden ') aangeduid, terwijl niet de aard van den afzet, maar die van het bedrijf haar kenschetst; aan den anderen kant verklaart men haar voor grootindustrieelen arbeid in kleine werkplaatsen en in de woning 2), waarbij weer de aanduiding „klein" een onvast beeld geeft. De omschrijving daarentegen die de beteekenis het best weergeeft en de zaak het duidelijkst verklaart is deze: Huisindustrie is die vorm van bedrijf der kapitalistische onderneming, waarbij de arbeiders in hun eigen woningen of werkplaatsen te werk worden gesteld. 3)

Met de huisindustrie van vroeger tijden heeft deze haast enkel nog den naam gemeen, zij is een hedendaagsch voortbrengsel der grootindustrie. Eenerzijds wordt zij gevoed uit het ondergaand handwerk, — de eens zelfstandige meester wordt werkuitgever, — anderzijds uit den zich tot eiken prijs verkoopende menschelijke arbeidskracht, die in de

1) Zie de handelingen der in Sept. 1899 in Breslau gehouden General-Versammlung des Vereins für Sozialpolitik, Leipzig 1900, blz. 93, en de gelijke opvatting van Stilda in Litteratur, heutige Zustande und Entstehung der deutschen Hausindustrie Leipzig 18f»0, blz. 22.

2) Zie Verhandlungen des Vereins für Sozialpolitik, t. a. p., blz. 16.

3) Zie Werner Sombart, Hausindustrie, in het Handwörterbuch der Staatswissenschaften, 2de druk, Jena 1900, 4de deel, blz. 1141.

Sluiten