Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet verder dan 60 tot 75 centimes per dag. ') Maar nog andere moeilijkheden verbitterden het leven der landarbeidsters: zij waren zoozeer afhankelijk van hun meesters, dat ook vaak het sluiten van een huwelijk haar bemoeilijkt, zoo niet geheel onmogelijk gemaakt werd.

Iets van den nieuwen geest, die de arbeiderswereld doorgloeide, brachten eerst de spoorwegen met hun steeds grooter uitbreiding in de verre dorpen en pachthoeven. Den druk der afhankelijkheid begonnen de landarbeiders allengs te bespeuren, het bewustzijn van hun slavernij, het verlangen naar vrijheid ontwaakte in hen. Stad en vrijheid golden spoedig bij hen als verwante begrippen. Naarmate het klassebewustzijn sterker in hen opkwam, des te beslister ontvloden zij het land. De landelijke dienstboden, meestal ongehuwde, derhalve gemakkelijker verplaatsbare jongelieden, verminderden het snelst. Zoo kwamen in Pruisen op 100 personen der bevolking

bedrijfs-(landbouw-)dienstboden:

1819: 8,5 1837: 7,0 1849: 6,9 1852: 6,4 1855:6,7 1861:5,7 1871:3,6 In Beieren daalde het aantal der landbouwdienstboden van 10,8 pCt. in 1840 op 6,6 pCt. in 1882, in Saksen van 7,5 pCt. in 1861 op 3,5 pCt. in 1882, in Hessen van 8,17 pCt. in 1861 op 1,38 pCt. in 1882 2). Indien ook het gebrek aan landarbeiders volstrekt geen nieuw verschijnsel is — men trachtte het toch reeds voor 300 jaren door de invoering van den dienstboden-dwangdienst te bestrijden — in zijn tegenwoordigen vorm echter, waar het de uiting van het klassebewustzijn en niet alleen het sporadische resultaat van bizonder drukkende toestanden is, kan het als de aanvang van ernstigen socialen strijd beschouwd worden.

Datzelfde geldt voor de ontwikkeling der dienstbodenkwestie. Het

is niet alleen het feit, dat de thuiswerkende arbeiders zich meer en meer in industrieele arbeiders omvormen, en de huishouding inkrimpt, waardoor het verminderen der huisdienstboden haar natuurlijke verklaring vindt, want feitelijk overtreft de vraag overal het aanbod, — het is veeleer het ontwakend rechtsbewustzijn, dat de meisjes van het dienstbodenberoep in steeds sterker mate terughoudt. Er is nauwelijks één beroep, waaraan de verachting van den handenarbeid in 't algemeen, die de klassieke oudheid vertoont, zoo onveranderlijk is blijven hangen, als aan dit beroep. Geen ander herinnert echter ook tot op den laatsten tijd zoo aan de slavernij: De arbeider verkoopt hier niet zijn arbeidskracht, maar in zekeren zin zijn gansche persoonlijkheid, hij staat dag

1) Zie Barbaret, t. a. p., VI. blz. 316 en vlgg.

2) Zie W. KShler, Gesindewesen und Gesindórecht. Jena 1896, blz. 8 en vlgg.

Sluiten