Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verordeningen, zoowel als door alle particuliere bemoeiingen op dit gebied. Het herstel van den „patriarchalen toestand", het sprookje, dat zich de duitsche huisvrouwen in 't bizonder zoo gaarne steeds weer als zuivere waarheid laten aanpraten, werd alom als het meest begeerde doel beschouwd. Dat het de juridische, sociale en economische toestanden zijn, die dringend verbetering behoeven, en waaruit zich zoowel de door hen gekweekte eigenschappen der dienstboden als haar verminderd aantal laten verklaren, is tot de 20ste eeuw slechts zeer zelden iemand in den zin gekomen.

Het gebrek aan dienstboden werd steeds meer voelbaar en zij keerden niet alleen haar beroep den rug toe, maar zij spraken zich ook, hoewel ook slechts zeer schuchter en zelden, over haar toestand uit. In April 1848 had in Leipzig zelfs een vergadering van vrouwelijke dienstboden plaats, die verhooging van loon, beter kost en langere nachtrust eischte. Hoe het feitelijk met al deze dingen gesteld was, schilderde in 1867 een duitsche schrijver ') op de volgende wijze: „Men geeft hun de grofste kost; zij moeten met hun tweeën of drieën in ruimten slapen, die niet eens den naam van kamer verdienen, ja vaak met hun tweeën in één bed. En welke martelwerktuigen, welke poelen vol ziektekiemen zijn deze bedden! Behalve dat de dienstboden niet alleen van den vroegen morgen tot zonsondergang aan het werk gehouden worden, kunnen de meesters evenwel niet genoeg krijgen en verlangen daarenboven steeds meer en meer!" Wat den toestand der inwonende dienstboden echter nog verergerde, waren de zedelijke gevaren waaraan zij blootgesteld waren. Meer nog dan de arbeidsters golden zij bij het beestachtig gedeelte der mannenwereld, bizonder bij de beschaafden, als vogelvrij. In 1866 waren in Parijs bijna de helft der vrouwen in de openbare kraaminrichtingen dienstmeisjes, en meer dan de helft der buitenechtelijke kinderen hadden dienstmeisjes tot moeders. Hoe diep de arme meisjes zonken, blijkt uit het feit dat terzelfder tijd onder tien geprostitueerden in Parijs zich één verleid dienstmeisje bevond en zij een derde deel der kindermoordenaressen in Frankrijk uitmaakten. 2)

De psychologische, de economische en de zedelijke gronden zijn, zoo men dit alles in aanmerking neemt, sterk genoeg om de vermindering van het aantal dienstboden begrijpelijk te doen zijn. Hoe zich haar aantal in verhouding tot de bevolking wijzigde, valt, afgezien van de laatste tellingen, moeilijk vast te stellen, aangezien het onderzoek onnauwkeurig was, en de huisdienstboden ook vaak met de in het

') Zie A. Daul, Die Frauenarbeit. Altona 1867, blz. 322 en vlgg.

2) Zie J. V. Daubié, t. a. p., blz. 89 en vlgg.

Sluiten