Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in het aanduiden der afzonderlijke beroepen in staat is dit te verhelpen. In Oostenrijk, deels ook in Duitschland, zijn de laatste en de voorlaatste telling naar zoo verschillende grondslagen geschied, dat ook hier een vergelijking moeilijk is.

Zoo heeft men in Oostenrijk naast de zelfstandigen, beambten en arbeiders een vierde klasse, die van de daglooners, in 't leven geroepen, die bij internationale vergelijkingen zeer storend werkt, daar zij in dezen vorm nergens weergevonden wordt. De verdere moeilijkheid bestaat hierin dat het begrip „zelfstandigen" zeer onstandvastig is. De duitsche statistiek verstaat daaronder zoowel de bezitters van dwergbedrijven in den landbouw, als iedere naaister of modemaakster die voor eigen rekening werkt. De bedrijfstelling verhelpt deze gebreken gedeeltelijk, en men kan tenminste met haar hulp de beslist proletarische bedrijven afzonderen. Onmogelijk daarentegen is dit in Engeland, waar de groep der „voor eigen rekening werkenden" de groote modiste zoowel als de arme naaister bevatten kan; en in Frankrijk weer heeft men de kleine bazen (petits patrons), die vroeger afzonderlijk gerekend werden, bij de laatste telling zonder meer tot de arbeiders geteld. Geheel afgezien van al deze bedenkingen met betrekking tot de afzonderlijke landen, geldt voor alle hetzelfde: dat namelijk juist de proletarische vrouwenarbeid in zijn ganschen omvang moeilijk statistisch te bereiken is; deels verbergt hij zich in haast onbereikbare hoeken van land en huis, deels zijn de ondervraagde vrouwen zeiven te onbeholpen en te onontwikkeld om juiste antwoorden te kunnen geven. De volgende tabellen, die op grond van een zoo

ontoereikend materiaal samengesteld werden, maken er derhalve geen aanspraak op, den stand van den proletarischen vrouwenarbeid onvoorwaardelijk juist weer te geven.

Een beschouwing van den proletarischen arbeid in verhouding tot de beroepsbezigheid in 't algemeen geeft het beste begrip van zijn beteekenis.

(Zie de eerste tabel op pag. 227.)

In de eerste plaats blijkt uit deze tabel dat de vrouwenarbeid in 't algemeen een uitgesproken proletarisch karakter heeft: ongeveer drie kwart van alle in een beroep werkzame vrouwen zijn arbeidsters. Als het overblijvende kwart tot nu toe in de vrouwenbeweging alleen aan het woord kwam en zich met zijn wenschen op den voorgrond wist te dringen, dan is dat een bewijs te meer voor den treurigen toestand der arbeidsters: zij vormden dat groote leger der stommen, wien door den nood de mond gesloten werd. De tabel schijnt niet van de vermeerdering van haar aantal te getuigen; slechts in Duitschland

Sluiten