Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hieruit blijkt dat in de voor den beroepsarbeid meest belangrijke leeftijdsklassen ^nauwelijks 1 pCt. der mannen nog in het beroepsleven treden kan. Men' "Kan aannemen dat dit ééne procent grootendeels uit die lichamelijk en zedelijk zieken bestaat, die geheel van den beroepsarbeid uitgesloten zijn, dat derhalve bijna alle beschikbare mannen in den arbeid opgenomen zijn. Anders staat het met de vrouwen. Haar aandeel in den beroepsarbeid valt voornamelijk tusschen het 20ste en 30ste levensjaar, maar ook hier is nog haast de helft der vrouwen beroeploos en deze beroeploosheid breidt zich aanmerkelijk uit in de jaren, waarin moeder- en huisvrouwplichten de vrouwen in beslag nemen. Eerst in latere jaren, in een tijd waarop het terugtreden der mannen in de rijen der beroeploozen begint, groeit weer, tengevolge van het groot aantal weduwen, het aandeel der vrouwen in het beroepsleven. In ieder geval blijven in alle leeftijdsklassen nog vele tot een beroep geschikte vrouwen beschikbaar en uit haar rijen neemt voornamelijk de industrie de noodige, in de mannenwereld niet voldoende aanwezige arbeidskrachten. Dientengevolge zal binnen afzienbaren tijd de proletarische vrouwenarbeid naar verhouding sterker toenemen dan de mannenarbeid, zonder dat deze daardoor in gevaar gebracht wordt. Deze opvatting kan schijnbaar door een verwijzing naar het groot aantal werkloozen ontzenuwd worden. Maar slechts schijnbaar! Want de werkloosheid heeft haar voornaamsten oorsprong in het seizoenkarakter van talrijke soorten van beroepen, ook de gebrekkige organisatie van de arbeidsmarkt speelt daarbij een rol, en mannen en vrouwen worden op gelijke wijze door haar bezocht.

Het onderzoek van den proletarischen vrouwenarbeid vereischt echter ook een nader ingaan op zijn aandeel aan de verschillende beroepsafdeelingen. De verhouding tot de mannen is dan de volgende:

(Zie de tabel op pag. 232 en 233.)

Hieruit blijkt dat in den landbouw de vrouwenarbeid, met uitzondering van Duitschland en Oostenrijk, inderdaad afgenomen is, een vermindering die voor Engeland en Amerika ook in de volstrekte cijfers uitdrukking vindt. In de industrie neemt de vrouwenarbeid in Duitschland en Amerika sneller toe dan de mannenarbeid, terwijl de eerste in Oostenrijk en Frankrijk door den laatste ingehaald wordt, hoewel een volstrekt toenemen plaats vindt. Veel sneller daarentegen groeit de vrouwenarbeid in handel en verkeer en dat geldt voor alle landen. Voor den loonarbeid van afwisselenden aard heeft overal een verschuiving ten gunste der mannen plaats gevonden, die zich in Amerika zelfs tot de volstrekte cijfers uitstrekt. Het aantal vrouwelijke dienstboden

Sluiten