Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over den aanwas geeft de volgende, op Illinois betrekking hebbende tabel, opheldering '):

tellingsperiode plaatsen mannen vrouwen kinderen in 't geheel

1893 704 2.611 3.617 595 6.823

1894 1.413 4.469 5.912 721 11.101

1895 1.715 5.817 7.780 1.307 14.904

1896 2.378 6.383 7.181 1.188 14.752

Met uitzondering van het laatste jaar vertoont de vrouwenarbeid een sneller vermeerdering dan de mannenarbeid, welken zij ook volstrekt in aantal overtreft. De vermindering van het laatste jaar is deels te verklaren uit het strenger handhaven der wetten, deels uit de omstandigheid, dat deze cijfers slechts werkplaatsarbeiders betroffen, de opzichzelfstaande thuisarbeiders daarentegen er niet bijgerekend werden. Hoe meer nu de wetgeving in de werkplaatsen ingrijpt, waarbij het haast altijd om de bescherming van vrouwen en kinderen gaat, des te meer zullen dezen zich in den thuisarbeid moeten terugtrekken.

De belgische beroepstelling van 1896 2) — de eerste die zich hier met de kwestie bezighield — verdeelt alle arbeiders in twee groote categorieën: le die in fabrieken, werkplaatsen enz. arbeiden; 2e die bij zich in huis voor rekening van fabrikanten of kooplieden werkzaam zijn. Dat beteekent met andere woorden, dat alleen de eigenlijke thuisarbeiders als huisindustrieelen beschouwd worden. De algemeene resultaten der volgens deze grondslagen gehouden telling waren:

Werkzaam waren V(m m >r

[ j beiders waren mannen vrouwen vrouwelijk

in fabrieken, werkplaatsen enz. i 588.248 115.981 I 16,47

tehuis 41.689 77.058 64^89

in 't geheel j 629.937 193.039 I 23,43

1) Zie Werner Sombart, t. a. p., blz. 1157.

2) Zie Recensement général des Industries et des Métiers. 31 Octobre 1896. Analyse des Vols. I en II. Bruxelles 1900, blz. 11 en vlgg.

Sluiten