Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijken, en wel niet in 't algemeen, maar ieder afzonderlijk en rekening houdend met de wederzijdsche arbeidsprestatie. Er zijn wel pogingen van dien aard gedaan, maar deze zijn onvoldoende. Nemen wij bijv. aan dat onder de rubriek kartonbewerking mannen- en vrouwenloonen vergeleken worden, dan is de uitkomst niets dan een gemiddeld cijfer van weinig waarde; het zou slechts dan waarde kunnen hebben, wanneer zoowel de soort van het karton als de daaraan verrichte arbeid met juistheid was opgegeven. Ook nauwkeuriger aanduidingen, zooals heerenvesten-doorstikken, waren nog niet toereikend, daar het voor de beoordeeling van de hoogte der loonen van mannelijke en vrouwelijke arbeiders erop aankomt, welke soorten vesten doorgestikt worden. Maar er komt nog iets anders bij: De toestand der arbeidsters kan alleen dan geheel en al juist beoordeeld worden, wanneer is uit te maken, of haar loon werkelijk den grondslag van haar bestaan vormt, dan wel slechts de aanvulling van een ander inkomen is, b.v. door den arbeid van den man, den vader enz. Ook dat is slechts tot binnen zekeren omvang mogelijk.

Al deze beperkingen in aanmerking nemend, kunnen wij derhalve slechts steunen op onderzoekingen, die plaatselijke waarde hebben, zonder over het geheele terrein het volle licht te verspreiden.

Wat bij het beschouwen der vrouwenloonen in de eerste plaats in het oog springt is dat zij zoo laag zijn en dat zij zoo zelden stijgen. Het duitsche onderzoek van 1876 constateerde wekelijksche inkomsten van fabrieksarbeidsters van af 1,80 Mark; loonen van 3 tot 6 Mark kwamen zeer vaak voor, terwijl loonen van 12 tot hoogstens 19 Mark reeds als een groote zeldzaamheid aangeduid werden '). Tegelijkertijd werd voor de textielindustrie aan den Beneden-Rijn vastgesteld, dat bizonder bekwame arbeidsters wel 6 tot 13 Mark verdienen konden, de minder bekwame echter op een loon van 5 tot hoogstens 10 Mark bleven staan 2). Maar ook in den jongsten tijd behooren dergelijke loonen volstrekt niet tot de uitzonderingen. Zoo bereikte in Stuttgart de helft van alle arbeidsters slechts wekelijksche verdiensten tot 9 Mark 3), en in de berlijnsche papierwarenindustrie was ditzelfde het geval voor 56 pCt. 4) In Weenen hebben zich bij gelegenheid der vrouwenarbeidsenquête dergelijke toestanden geopenbaard. In de papier- en in de textielindustrie werd als het laagste weekloon 1 fl. 50 kr. opgegeven,

') Ergebnisse der über die Frauen- und Kinderarbeit in den Fabriken aufBeschluss des Bundesrats angestellten Erhebungen. Berlin 1887, blz. 76 en vlgg.

2) A. Thun, Die Industrie am Niederrhein. Leipzig 1879, blz. 218.

3) Th. Leipart, Die Lage der Arbeiler in Stuttgart. Stuttgart 1900.

4) Elis. Gnauck-Kühne, Die Lage der Arbeiterinnen in der Berliner Papierwarenindustrie. Berlin 1896, blz. 32.

i

Sluiten